Basisboek recht
Roest, O.A.P. van der
Geplaatst door zusje1980 op Dinsdag 14 januari 2003
Hoofdstuk 1
Dit blok zal zich bezighouden met voornamelijk het vermogensrechtelijk gedeelte van het privaatrecht. Dit zijn de boeken 3 t/m 8 van het BW. In dit blok enkel de boeken 3,5 en 6.Het vermogensrecht valt onder te verdelen in het verbintenissenrecht en het goederenrecht. Het verbintenissenrecht houdt zich bezig met vermogensrechtelijke relaties tussen (rechts)personen. Deze relaties verplichten de ene partij tot het leveren van een prestatie en geven de andere partij het recht op deze prestatie. In het algemeen geldt voor het verbintenissenrecht een open stelsel, dat wil zeggen dat beide partijen in beginsel vrij zijn de overeenkomst inhoud te geven (dit wordt gekenmerkt door vrij veel aanvullend recht). Behalve verbintenissen uit overeenkomst bestaan er ook verbintenissen uit de wet. Die zijn onder te verdelen in verbintenissen uit rechtmatige daad (bv. zaakwaarneming) en verbintenissen uit onrechtmatige daad. Zie hiervoor de voorbeelden op blz.52,53 van het basisboek. Ook van belang om te weten i.v.m. het verbintenissenrecht is dat daartoe het relatief recht behoort. Het relatief recht is een overeenkomst die slechts werking heeft op twee partijen (bv. bij een huurovereenkomst is alleen Rudi jegens de verhuurder verplicht de huur te betalen en jegens niemand anders).
Bij het goederenrecht staat niet de prestatie, maar het goed centraal. Het gaat hierbij om vraagstukken als: zeggenschap over een goed, welke rechten heeft een persoon tot een bepaald goed en wie heeft er rechten t.o.v. een goed. Het goederenrecht wordt gekenmerkt door vrij veel dwingend recht. Dit houdt in, dat in tegenstelling tot het verbintenissenrecht een gesloten stelsel van toepassing is. Het absoluut recht behoort tot het goederenrecht, dit houdt in dat de relatie die ontstaat tussen een persoon en een goed werking heeft op een ieder (bv. als ik eigenaar wordt van een fiets mag niemand die stelen, niet Jerry en ook niet Florens).
Voor de rest van hoofdstuk 1 verwijs ik naar de volgende wetsregels:
- art. 3:1, 2, 3, 5, 6, 10. (markeer dit in je wettentekstbundel !)
Hoofdstuk 2
2.1 Contractenrecht
Contractenrecht houdt zich bezig met de regels die aangeven op welke wijze overeenkomsten tot stand komen, wie daarbij partij zijn, welke verbintenissen daaruit voortvloeien en hoe deze na gekomen moeten worden. Ook bevat het contractenrecht bepalingen voor het oplossen van problemen.2.2 Rechtshandelingen
In het recht maakt men onderscheidt tussen feitelijke handelingen en rechtshandelingen. Dit zijn de rechtshandelingen waarvoor een menselijk handelen vereist is. Verschil is dat de eerste niet en de tweede wèl gericht is op het in werking treden van een rechtsgevolg. Alle rechtsfeiten waarvoor geen menselijk handelen vereist is zijn blote rechtsfeiten, (bv. de geboorte, meerderjarig worden en overlijden, maar ook het verwilderen van een huisdier na verdwijnen daarvan). Feiten die niet voor het recht van belang zijn, zijn geen rechtsfeiten, denk daarbij aan een afspraakje om een keer uit te gaan of om gezamenlijk 5 kilo binnen een week af te vallen. Feitelijk handelingen kan men onderscheiden in onrechtmatige en rechtmatige daden (wacht tot hoofdstuk 3).In boek 3 titel 2 staan alle bepalingen die op rechtshandelingen betrekking hebben. Zonet heb ik beschreven dat een rechtshandeling een op dat rechtsgevolg gerichte wil vereist, dat betekent dat deze wil door een verklaring dient te worden geopenbaard. Volgens art 3:37 lid 1 kunnen verklaringen zowel mondeling als ook schriftelijk geschieden. Als eenmaal een rechtshandeling tot stand is gekomen kan dit een eenzijdige of een meerzijdige rechtshandeling zijn. Van een eenzijdige rechtshandeling is sprake als de wilsverklaring van 1 persoon voldoende is om een rechtsgevolg te doen ontstaan. Bij de eenzijdige rechtshandelingen kan men ook nog een onderscheidt maken tussen gerichte en ongerichte eenzijdige rechtshandelingen. De meeste rechtshandelingen zijn gericht, d.w.z. dat deze zich richt tot een bepaald aantal personen. Bij ongerichte eenzijdige rechtshandelingen moet je denken aan een testamentsverklaring e.d. Meerzijdige rechtshandelingen zijn rechtshandelingen waarbij voor het bijbehorende rechtsgevolg de wilsverklaring van twee of meer personen nodig is. Per definitie is dus elke koopovereenkomst een meerzijdige rechtshandeling.
Het moment waarop een rechtshandeling werking heeft ligt besloten in art. 3:37 lid 3. Lees dat lid erg goed om een vraag te kunnen beantwoorden.
Als rechtshandelingen in strijd zijn met de openbare orde of zelfs de wet, kunnen deze nietig worden verklaard of in vernietigbaarheid worden gesteld. Dit alles met de terugwerkende kracht beschreven in art. 3:53. Bij dit laatste wordt aan degene die tot vernietiging bevoegd is, de keus gelaten de rechtshandeling al dan niet te vernietigen. Vernietiging gebeurt door een buitengerechtelijke verklaring of door een rechterlijke uitspraak, dit staat ook in art. 3:49. De buitengerechtelijke vernietiging gebeurt dus door een van de personen betrokken bij een bepaalde overeenkomst. Indien de ander hierop niet reageert, of het hier niet mee eens is, zal aan de rechter alsnog een uitspraak moeten worden gevraagd. Let op: Een vernietiging is ook een eenzijdig gerichte rechtshandeling, dus art. 3:37 is hier ook op van toepassing (= de in werking treding). De gevolgen van een nietige rechtshandeling zijn er vaak wel, omdat er meestal al bepaalde prestaties zijn verricht. Zie voor deze gevolgen art. 6:203.
Een ongeldigheid van bepaalde rechtshandelingen kan rusten op bepaalde gronden. De belangrijkste gronden daarvoor worden zowel in de wet als ook in het boek beschreven. Daarom even een samenvatting.
- de wil stemt niet met de verklaring overeen (art. 3:33)
- geestelijk stoornis (hoef je niet te leren) (art. 3:34)
- handelingsonbekwaamheid (art.3:32)
- wilsgebreken (art. 3:44 en 6:228)
- strijd met wettelijke vormvoorschriften (art. 3:39)
- strijd met dwingende wetsregel, de goede zeden of de openbare orde (art.3:40)
2.3 de wil stemt niet met de verklaring overeen
Hierbij worden oplossingsmogelijkheden gegeven voor problemen die ontstaan als er enige discrepantie (verschil) is tussen de wil en de verklaring. Een verklaring is dan altijd nietig indien degene die hem heeft afgelegd kan bewijzen dat hij het niet zo bedoelde (bv. als deze zich verspreekt, vergist, verschrijft e.d.). Uitzondering bestaat er om degene(n) aan wie de wilsverklaring is gericht te beschermen. Hiervoor is dan art 3:35 van toepassing. En dan moet er nog rekening gehouden worden met het feit dat degene tot wie de verklaring is gericht in bepaalde situaties moet kunnen onderkennen dat de verklaring niet helemaal juist hoeft te zijn. Bv. als er een auto te koop staat voor f2,50. Er staat 2 gulden en 50 cent, maar bedoeld wordt (waarschijnlijk) 250 gulden of 2500 gulden. Een potentiële klant die de auto ziet moet kunnen weten dat er een schrijffout is gemaakt.2.5 handelingsonbekwaamheid
Handelingsonbekwaamheid kan voorkomen bij :- minderjarigen (art.1:233). Een rechtshandeling verricht door een minderjarige kan worden vernietigd door diens wettelijke vertegenwoordiger(s) op grond van dat beschreven in art. 1:234.
- onder curatele gestelden. Hierbij treedt de curator (bv. een familielid) op als wettelijke vertegenwoordiger. Markeer hiervoor art. 3:34; 1:381 en art. 3:32.
2.3 wilsgebreken (art. 3:44 en 6:228)
Ons recht kent vier wilsgebreken die allemaal behandeld zullen worden. Als een overeenkomst of rechtshandeling tot stand is gekomen door zo een wilsgebrek, dan is deze vernietigbaar (art.3:44 lid1). Ze staan weliswaar allemaal in de wettentekstbundel, maar daar wordt geen duidelijke taal gesproken. In deze samenvatting (hopelijk) wel.- bedrog (art. 3:44 lid3).
Als men met succes wil bewijzen dat er sprake is van bedrog, moet er aan elk van de volgende vereisten worden voldaan:- een kunstgreep =
- een opzettelijk gedane onjuiste mededeling
- een opzettelijk verzwijgen van een onmisbaar feit
- andere kunstgreep(vervalsen, km-stand terugdraaien)
- opzet om de ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling te bewegen. Dit betekent dat je een ander willens en wetens bedriegt.
- causaal verband tussen de kunstgreep en het verrichten van de rechtshandeling. Een causaal verband houdt in dat de kunstgreep op zich ertoe moet hebben geleid dat de rechtshandeling door de ander werd verricht. Dus dat betekent dat de rechtshandeling zonder deze kunstgreep niet zou zijn verricht!
- een kunstgreep =
- bij dwaling moet worden voldaan aan elk van de volgende vereisten:
- onjuiste voorstelling van zaken, waaraan zal moeten worden voldaan op het moment waarop de overeenkomst wordt gesloten.
- causaal verband tussen de onjuiste voorstelling van zaken en het totstandkomen van de overeenkomst. De onjuiste voorstelling (...) moet er direct de reden van geweest zijn dat de overeenkomst is gesloten.
- aanwezigheid van 1 der 3 dwalingsgevallen van art. 6:228 lid 1 (a,b,c)
- wederpartij gaf inlichting
- wederpartij schond spreekplicht (verzwijgen van essentiële info).
- wederzijdse dwaling (beide partijen gaan uit van een onjuiste veronderstelling).
- kenbaarheid, dit is van toepassing op elk van de bij dwaling genoemde vereisten. Het houdt simpelweg in dat de dwalende de wederpartij te kennen heeft/had moeten geven dat de verkeerde inlichting(a), de wederzijdse dwaling(c) of het schenden van de spreekplicht(b) van essentieel belang was voor het maken van de beslissing tot overeenkomst of rechtshandeling.
- men zal voorts moeten bewijzen dat het niet gaat om een uitsluitend toekomstige omstandigheid. Dit houdt in dat de directe oorzaak van het beroep van de dwalende niet nà het sluiten van de overeenkomst mag zijn voorgekomen.
- ook zal bewezen moeten worden dat de dwaling niet voor rekening van de dwalende behoort te blijven. Men kijkt hierbij naar de volgende 3 aspecten :
- aard van de overeenkomst
- verkeersopvattingen (hierbij moet de dwalende zelf voldoende onderzoek hebben verricht naar feiten die voor het sluiten van de overeenkomst van belang zijn. Afgewogen moet worden of deze onderzoeksplicht opweegt tegen de mededelingsplicht van de wederpartij.
- omstandigheden van het geval
- voor bedreiging (art. 3:44 lid 2)dient te worden voldaan aan elk van de volgende vereisten:
- bewegen van een ander tot verrichting van een bepaalde rechtshandeling
- onrechtmatige bedreiging
- gericht tegen deze persoon of een (in verband staande) derde
- met enig nadeel in persoon of goed
- causaal verband tussen de bedreiging en rechtshandeling
- misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4)
- bijzondere omstandigheden (noodtoestand, lichtzinnigheid onervarenheid, abnormale geestestoestand etc.)
- misbruik (de wederpartij diende te weten dat de ander niet in staat is om een goede beoordeling van de situatie te kunnen geven)
- causaal verband tussen bijzondere omstandigheid en rechtshandeling
!!!2.7 Strijd met de wet, de goede zeden of de openbare orde (art. 3:39)
- een rechtshandeling is in strijd met de wet in twee gevallen
- dat kan als eerste in strijd zijn met de in de wet voorgeschreven vormvereisten.
- en als tweede in strijd met een dwingende wetsbepaling (art. 3:40 lid 2,3)
- een rechtshandeling in strijd met de goede zeden of de openbare orde (art. 3:40 lid 1) (...) die door inhoud of strekking (...).
- de inhoud heeft betrekking op de prestaties waartoe partijen zich hebben verplicht
- de strekking is datgene wat partijen met de prestaties willen bereiken. Bv. John koopt een bij Bram mes om buurman Bastiaan te doden, dit is in strijd met de openbare orde en de goede zeden (of niet?). Want alleen als Bram op de hoogte was van de intenties van John, dan is de gesloten overeenkomst met Bram ongeldig.
2.8 totstandkoming van overeenkomsten (afdeling 6:5.2)
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Daarmee zijn alle overeenkomsten natuurlijk meerzijdige rechtshandelingen! Het aanbod en de acceptatie zullen op elkaar moeten aansluiten. Eerst behandel ik de finessen van het aanbod en daarna van de aanvaarding.- van aanbod.
- Van een aanbod is sprake als het ten minste de essentialia van een overeenkomst bevat. Bij een huurovereenkomst zijn bijv. van belang het te verschaffen huurgenot en de huursom. Bij een koopovereenkomst zijn dat de zaak en de prijs (of het genoemde in art. 7:4)
- als één van de essenties ontbreekt dan is er geen sprake van een aanbod, maar van uitnodiging tot het doen van een aanbod.
- van aanvaarding (jaja)
De aanvaarding is de wilsverklaring die een acceptatie van het aanbod behelst. Hierdoor zal een overeenkomst tot stand komen. Om een onaantastbare overeenkomst te bewerkstelligen moet er aan een aantal (hierna volgende) vereisten worden voldaan.- geen ongeldigheidsgronden (de gronden die ook gelden voor een meerzijdige rechtshandeling) Dit zijn o.a. de al behandelde gronden die staan in artikelen als 3:33 of 3:35 etc. (ook de handelingsonbekwaamheid e.d. horen hierbij).
- aanvaarding op het moment dat het aanbod van kracht is. Het aanbod vervalt door:
- tijdsverloop (art. 6:221 lid1)
- dat het wordt verworpen (art. 6:221 lid 2) zie ook art. 6:225 lid 1
- dat het wordt herroepen (art. 6:219)
- soms is herroeping niet meer mogelijk lees aandachtig art. 6:219 lid 1,2,3.
- herroeping is na aanvaarding alleen dan nog mogelijk indien het een vrijblijvend aanbod betreft
- de aanvaarding moet inhoudelijk met het aanbod overeenstemmen. Een overeenkomst zal niet tot stand komen wanneer beiden niet overeenstemmen. Indien de afwijking slechts ondergeschikte punten betreft dan is er wel sprake van een overeenkomst als de wederpartij geen bezwaren maakt tegen deze punten.
2.9 hoeft niet
2.10 soorten overeenkomsten
In deze paragraaf staan 4 soorten overeenkomsten, nl.:- de obligatoire/niet-obligatoire overeenkomst
- de eenzijdige/wederkerige overeenkomst
- de benoemde/onbenoemde overeenkomst
- de formele/consensuele overeenkomst
- Een eenzijdige overeenkomst is er een waarbij op slechts één der partijen een verbintenis rust.
- Van een wederkerige overeenkomst is sprake wanneer één partij een verbintenis op zich heeft genomen om daarmee een prestatie van een andere partij te krijgen.
2.11 bronnen van verbintenissen
De belangrijkste bron van verbintenissen is nu wel duidelijk, dat zijn natuurlijk de overeenkomsten.Dan zijn er ook nog verbintenissen die direct uit de wet voortvloeien. Bv. zaakwaarneming en onverschuldigde betaling, ook onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking doen verbintenissen ontstaan.
Als laatste zijn er nog verbintenissen te noemen die niet rechtstreeks (dus indirect) uit de wet voortvloeien. Zo een verbintenis moet dan ‘passen in het stelsel van de wet en aansluiten bij een wel in de wet geregeld geval.’
2.12 de inhoud van een overeenkomst
Bij een partijafspraak kunnen zich verscheidene problemen voordoen met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst. Bij een mondeling gesloten overeenkomst is het altijd moeilijk te bewijzen wie nu de waarheid spreekt. Maar ook bij een schriftelijke vastlegging zijn niet alle problemen de wereld uit. De inhoud van het contract kan onduidelijk (geformuleerd) zijn. De rechter moet dan beoordelen wat in een bepaalde situatie door beide partijen als redelijk en billijk zou moeten zijn ervaren.Echter, als de overeenkomst een bepaalde leemte bevat, dan zal de rechter door gebruik te maken van verschillende aanvullende bronnen de leemte moeten opvullen. Deze bronnen vallen uiteen in:
- de wet geeft in veel gevallen algemene regels die voor elke overeenkomst gelden en waarvan de regels dus niet eindeloos in een contract hoeven worden vastgelegd. Zie bv art. 6:45 of 6:41.
- van de gewoonte is sprake wanneer er in bepaalde gevallen gedurende lange tijd steeds weer op een zelfde wijze blijkt te worden gehandeld.
- de redelijkheid en billijkheid. Hierbij wordt gekeken naar wat in Nederland de algemeen geldende rechtsovertuigingen en maatschappelijke en persoonlijke belangen zijn.
2.13 nakoming
als een overeenkomst tot stand is gekomen, dan weet men dus dat er op één of meerdere partijen een verbintenis rust. De betrokken partij is dan dus verplicht die verbintenis na te komen. Nou, deze paragraaf gaat dus over nakomen. Over de vraag wanneer er moet worden nagekomen, kan ik heel kort zijn. Want als het uit een overeenkomst volgt, wordt die termijn aangehouden, en als het niet is vastgelegd in de overeenkomst dan wordt er een dergelijke tijdslimiet verordend die men redelijkerwijs nodig zou hebben.2.14 tekortkoming in de nakoming
voordat er sprake mag zijn van tekortkoming/tekortschieting moet er voldaan worden aan elk van de volgende vereisten- de verbintenis is officieel opeisbaar
- de prestatie wordt
- helemaal niet nagekomen
- te laat nagekomen
- gebrekkig nagekomen
- gedeeltelijk nagekomen
2.15 toerekenbare tekortkoming
van (..) ofwel wanprestatie is sprake indien door crediteur bewezen is dat er sprake is van tekortkoming. Door de debiteur zal dan bewezen moeten worden dat er van toerekenbaarheid geen sprake is. Op welke manier dat kan, wordt in het volgende stukje beschreven...De gevolgen van wanprestatie zijn in ieder geval duidelijk:
- nakoming (+aanvullende schadevergoeding)
- vervangende schadevergoeding (+aanvullende schadevergoeding)
- ontbinding (+aanvullende schadevergoeding)
2.16 niet- toerekenbare tekortkoming
in principe kan er alleen sprake van niet- toerekenbare...Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.

