Openbaar bestuur : beleid, organisatie en politiek
Bovens, M.A.P.
Geplaatst op Donderdag 26 december 2002
Hoofdstuk 1 en 2: OPENBAAR BESTUUR
Hoofdstuk 1: de wereld van het openbaar bestuur
de jaren ’90: door asielzoekersstroom problemen voor overheidsinstellingen, met name:- Justitie en Volksgezondheid
- Welzijn en Sport
- provincies en gemeenten
- Vreemdelingenwet
- snellere besluitvorming asielverzoeken
- Europese afspraken voor een betere onderlinge samenhang
- Vreemdelingenzaken zelfstandiger ] Immigratie / Naturalisatie Dienst
- opvang en begeleiding door Centraal Orgaan opvang Asielzoekers
- centra voor allereerste opvang en afwijzing en regionale verblijfscentra
- gemeenten quota toegewezen
- 2001: nieuwe Vreemdelingenwet: vooral aanpak illegaliteit
- variëteit van organisaties
departementen, provincies, gemeenten, waterschappen, gemeentelijke diensten, Nederlandse ambassades in het buitenland, penitentiaire inrichtingen, zelfstandige bestuursorganen - verscheidenheid van activiteiten
paspoorten, uitkeringen, voedselkeuring, jacht, opvoeding, literatuur, geboorte, misdaad, seksualiteit, vredesmissies: stimuleren, beschermen, afschaffen, aan regels binden, preventief, reagerend - verschillende niveaus
- lokaal (gemeenten)
- regionaal (politie)
- provinciaal (provincies)
- nationaal (regering, departementen)
- Europees (organen Europese Unie)
- internationaal (NAVO, VN)
eenheidsstaat = uniform bestuursstelsel met duidelijk primaat van de landelijke overheid
- vage grenzen
openbaar bestuur ] geheel van organisaties en activiteiten gericht op besturing van de maatschappij (ook: overheid, staat). openbaar slaat op de reikwijdte.
besturing [ richting geven, koers uitzetten, beslissingen
beslissingen ] wat en hoe bewerkstelligen. Beslissingen hebben een bindend karakter op een bepaald grondgebied
overheidsorg. ] politiek bestuur ( gezagsdragers met verschuldigde verantwoording aan democratisch gekozen vertegenwoordigende organisaties) en ambtenaren (benoemde functionarissen ondergeschikt aan leiding voor bijstand en uitvoering)
maatschappelijk ] tussen overheid en burgers. De overheid en het middenveld maatschappelijk middenveld zijn krachten binnen de publieke sector
het ambivalente bestuur ] spanningsveld normen en verwachtingen bestuurders
Democratie: de responsieve overheid
volkssoevereiniteitsbeginsel: uit naam van het volk besturen
Democratie bepaald door electorale politiek en
maatschappelijke initiatieven
MAAR:
- kabinetsformatie = gesloten proces (niet per se gelijk verkiezingsuitslag)
- burgemeesters meestal benoemd en niet gekozen (betrokkenheid van burgers)
Daarom inperking en controle nodig door het recht (in naam van de wet)
m dominante normen en waarden (volk)
Ook ombudsmannen hebben een zekere invloed
Spanningen rond het rechtmatigheidvereiste:
- individuen houden zich niet aan regels (fraude, corruptie)
- regels als obstakel voor maatschappelijke problemen oplossen
- spanningen binnen het recht: bescherming versus sturing
probleembepaling varieert in tijd, plaats, per stroming en organisatie
doeltreffendheid (effectiviteit) = behaalde vooraf geformuleerde doelstellingen
doelmatigheid (efficiency) = doeleinden met zo weinig mogelijk middelen bereiken
Integriteit: de onkreukbare overheid
- niet omkoopbaar
- geen misbruik van machtspositie
- niet afwijken van ethische (beroeps)normen
Er is een aantal spanningsvelden voor een goed bestuur in onderlinge samenhang (VB in boek):
- doelmatigheid versus rechtmatigheid (blz. 31)
- democratie versus rechtmatigheid
- democratie versus doelmatigheid binnen deze polen opereren
- integriteit versus democratie
wortels in de Republiek der Verenigde Nederlanden (1648-1795)
- klein ambtelijk apparaat (200 a 400): politieke bestuurders (regenten) uitvoering zelf, de rest door provincies en gemeenten zelf
- geen centrale overheid (macht bij de 7 provincies)
- stadhouder en Staten-Generaal klein secretariaat
- besluitvorming gebaseerd op consensus en pragmatisch
- grote mate van zelfregulering door lokale organisaties (gilden, waterschappen, kerken) = voorloper maatschappelijk middenveld
- intrede eenheidsstaat: macht provincies en steden ingeperkt tot een centraal overheidsapparaat
- nationale wetboeken en centrale staatsorganen voor rechtelijke macht (Ned. bank, Alg. Rekenkamer, ministeries van algemeen bestuur)
- eerst sterk monocratisch (Koning Willem 1)
- langzaam naar constitutionele democratie met een symbolisch koningschap
- actieve handelspolitiek en begin infrastructuur
- overheid beperkt zich onder invloed van de liberale stroming tot nachtwakerstaken: buitenlandse zaken, defensie, koloniën, justitie, binnenlands bestuur, financiën (slechts zo’n 1000 rijksambtenaren)
- meer overheidsingrijpen door industrialisatie: naast de klassieke nachtwakerstaken ook meer verzorgende en dienstverlenende taken
- nutsbedrijven in de grote steden (gas, water, riolering, telefoon, openbaar vervoer)
- door stedengroei en ontstaan krottenwijken planologisch en huisvestingsbeleid
- door grote armoede armenzorg, arbeidswetten, arbeidsinspecties, sociale verzekeringen
- door ziekten gezondheidszorg en onderwijs
- opleidingseisen en salarissen stijgen, vaste rangen, fulltime ambtelijk werk
- ontstaan vakministeries (Verkeer en waterstaat, Landbouw, Volkshuisvesting)
- beurs Wall Street stort in (Ned. economische crisis en er volgde de jarenlange depressie)
verzorgingsstaat
- invloed econoom Maynard-Keynes (overheid cruciale rol stimuleren bedrijvigheid in economische crisis): erkenning dat overheid markt impulsen moest geven:
- vraag consumptiegoederen verhoogd
- werklozen moeten inkomen krijgen (= stimulatie consumptie en kapitaalinvesteringen)
- start grootschalige werkgelegenheidsprojecten
- economie herstelde, ook door oorlogsdreiging (wapens)
- Keynesiaanse visie domineerde:
- centrale rol overheid in wederopbouw
- bewaking stabiliteit economische groei
- stimulering bedrijvigheid
- beheersing lonen en prijzen
- overheid beschermt totale bedrijfstakken tegen concurrentie en prijsschommelingen
- wegen, telefoonnet, gas, elektriciteit, water
- bestaanszekerheid gegarandeerd (welzijn, onderwijs, gezondheidszorg, cultuurvoorziening
- ’70: kritiek op verzorgingsstaat: moeite met vooruit zien
- 1973: oliecrisis en stagnatie wereldeconomie
- 4 problemen:
- interne complexiteit overheid
- fijnmazige verdelingen
- meer energie zichzelf besturen
- specialistische verkokering
- overheid in zichzelf gekeerd
- organisatie beleidsuitvoering
- niet in Den Haag maar elders, minder uniform
- beleid te algemeen geformuleerd en veel eigen interpretaties daarvan
- tegenvallende beleidsresultaten
- doelstellingen niet gehaald
- te tolerante uitvoeringen
- oplossing ene probleem roept ander op
- oplopende kosten
- grotere omvang overheidsapparaat
- meer mensen in verzorgingsstaat
- babyboomers en vrouwen op arbeidsmarkt
- vergrijzing
- meer werkzoekenden, arbeidsongeschikten
- interne complexiteit overheid
- ontstaan herbezinning mogelijkheden overheidssturing
- beperking bemoeienis economie (bedrijvigheid verminderd door regels,etc.). Deregulering dus.
- wel normen stellen voor wat er bereikt moet worden, maar niet hoe
- volkshuisvestingsbeleid naar gemeenten en corporaties
- van wet - en regelgever naar raadgever, partner en marktpartij
- gevaar nalatigheid
- financiële hervormingen: bezuinigingen
- begrotingstekort terugdringen
- efficiency winst (verzelfstandiging, privatisering)
- bestuurlijke vernieuwingen: afstand overheid en burger (geen lokettencultuur, openingstijden aangepast aan werktijden, ontvangstruimten, homepage). Werktempo overheid vergroten, organisatie besluitvorming aanpassen (naar gemeenten)
- internationale afstemming
Hoofdstuk 2: de wereld van de bestuurskunde
Bestuurskunde ] ideeën over inrichting en werking publieke sector (politieke debat openbaar bestuur: adviezen of bestuurlijke functies)smalle opvatting
- functioneren van overheid, vooral ambtelijk apparaat
- onderscheid politiek en bestuur (beslissingen nemen en uitvoeren) aandacht voor uitvoeringsproces
- managementwetenschap: verbeteren machinerie overheid
- geen discussies over inhoud beleid, maar de uitkomsten daarvan moeten het uitgangspunt zijn
- binnenkant openbaar bestuur (relaties met ambtelijk apparaat)
- onderzoek naar verdeling van taken en bevoegdheden tussen individuen en onderdelen van organisatie, en de wetten, regels en procedures van de werkwijze en onderlinge verhoudingen binnen de organisatie
- niet alleen overheidsbureaucratie en gezagdragers, maar ook semi-overheidsinstellingen en particuliere organisaties met publieke taken
- laatste jaren de overhand: veel verzelfstandigd en geprivatiseerd: belangrijke beslissingen buiten politiek circuit en internationaal
- rol informele aspecten: praktijk
- recht
- belang rechtsregels als ordeningskader relaties burger en bestuur en bestuurslagen en –organen
- economie
- inzicht organisatie en werking overheidsfinanciën
- impulsen ontwikkeling theorieën
- sociologie
- denken over organisaties en ontwikkeling, stabilisatie en teruggang verzorgingsstaat
- psychologie
- inzicht beperkte infoverwerking en rol driften, emoties en interpersoonlijke verhoudingen (perfecte rationaliteit is onmogelijk)
- politieke filosofie
- denken over plaats, functie en inrichting overheid
- spanningsveld democratie en bureaucratie
- politicologie
- kritisch verhouding politici en ambtenaren bekijken (de vierde macht)
- antropologie
- specifieke omstandigheden in het niet-westen
- culturele factoren op gedrag
Visie 1 bestuurskunde als zelfstandige discipline
- eigen ideeën, methoden en resultaten
- lange historie, dus discipline binnen de sociale wetenschappen
- bescheidener, maar pretentieuzer
- overplanten van kennis is noodzakelijk
- pretentie: bestuurskundigen hebben de middelen de relatieve waarde van veel kennis vast te stellen (is nog niet het geval)
- beschrijvingen descriptie
- verklaringen empirische analyse
- beoordelingen normatieve analyse waardeoordelen
- voorstellen prescriptie aanbevelingen
- toepassingsgerichtheid (praktische betekenis)
bestuurskunde ] streven naar toepassingsgerichtheid, meer betrokkenheid
bestuurswetenschap ] kritische, afstandelijke waarnemers
- actuele problemen bestuderen
- wisselwerking bestuurlijke praktijk
historisch overzicht
Oudheid
- pogingen tot een systematisch inzicht van bestuur te komen
- accent op morele en politieke vraagstukken rond rechtvaardiging en gebruik openbare macht
- opkomst centrale staten: stimulans bestuurskundig denken
- omvang staatstaak groeit, zo ook omvang en complexiteit staatsapparaat
- meer geschreven stukken en officiële stukken
- ontwikkeling rechtssystemen, rechtsgeleerden werden belangrijke adviseurs
- internationale vergelijkingen
- toenemende behoefte aan juridische, financiële en bestuurlijke deskundigheid
- belastingheffing geprofessionaliseerd: ontwikkeling bevolkingsadministratie
- meer economische statistieken bijgehouden
- opleidingscentra klerken, bestuurders en rechters
- kameralistiek: Pruisische koning Frederik Willem I
- de verwerving van systematische info over rol bestuur in de maatschappij: staat niet allen recht scheppen en handhaven, maar ook collectieve welvaart bevorderen: mengeling geschiedschrijving, eigen waardeoordelen vuistregels
- stagnatie ontwikkeling van deze proto-bestuurskunde, het ging nu om het ontwikkelen van een stelsel van rechtsbescherming tegen de overheid
- uitoefening publieke macht gekoppeld aan rechtsbeginselen en regels: geen macht zonder bevoegdheid, geen bevoegdheid zonder...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.

