Geld, Internationale Economische Betrekkingen en bedrijfsomgeving
Hulleman, W. ; Marijs, A.J.
Geplaatst op Zondag 06 oktober 2002
4. De valutamarkt
De valutamarkt is de markt waarop de geldsoort van het ene land wordt verhandeld tegen de geldsoort van het andere land. De prijs die op deze markt tot stand komt is de wisselkoers. De valutamarkt kenmerkt zich door 24-uurs handel, een zeer grote dagelijkse omzet en een hoge mate van doorzichtigheid. Aan transacties op de valutamarkt liggen in overwegende mate financiële transacties ten grondslag. Reële transacties zijn slechts voor ongeveer 5% van de handel op de valutamarkt verantwoordelijk.De contante markt en de termijnmarkt
Op de contante markt worden valuta binnen twee werkdagen na de transactie geleverd. Op de termijnmarkt vindt levering eerst na een bepaalde afgesproken termijn (bijvoorbeeld 1, 2, 3, 6 of 12 maanden) plaats.
De evenwichtsprijzen op beide markten worden respectievelijk aangeduid als de contante koers en de termijnkoers. De contante koers en termijnkoers zullen in het algemeen niet aan elkaar gelijk zijn. Als de termijnkoers van een bepaalde valuta hoger is dan de contante koers spreken we van een agio; in het omgekeerde geval van een disagio.
Koopkrachtpariteit
Als basis voor de koersvorming op de contante valutamarkt nemen we de betalingsbalans van een land als uitgangspunt. Uit de lopende rekening van de betalingsbalans komt als belangrijkste koersindicator het inflatieverschil tussen twee landen naar voren. De koopkrachtpariteit theorie leidt tot de conclusie dat in landen met een hoge inflatie een depreciatie van de nationale valuta zal optreden. Hieruit volgt dat de reële wisselkoers van een valuta constant blijft.
Uit de kapitaalrekening leiden we als belangrijke koersindicatoren af. De ontwikkeling in het renteverschil tussen twee landen en het marktsentiment ten aanzien van een bepaalde valuta. Een stijgende rente zal internationale beleggers aantrekken, waardoor de koers van de desbetreffende valuta zal stijgen. Een moeilijk grijpbare, maar niettemin belangrijke koersindicator is het marksentiment. Keert het marktsentiment zich tegen een bepaalde valuta, dan zijn grote koersbewegingen in een korte tijd mogelijk. Tenslotte staat de contante koers onder invloed van het monetaire beleid. Het gekozen wisselkoersstelsel, alsmede de geloofwaardigheid van de centrale bank in het bereiken van haar doelstellingen zijn in dit verband belangrijke koersindicatoren.
Vraag en aanbod
We kunnen twee typen wisselkoersstelsels onderscheiden. In een systeem van flexibele wisselkoersen wordt de koersvorming overgelaten aan vraag en aanbod op de valutamarkt. Voordelen van dit stelsel zijn de automatische aanpassing van betalingsbalansproblemen en de mogelijkheid die het de monetaire autoriteiten biedt tot het voeren van een onafhankelijk monetair beleid. Het belangrijkste bezwaar tegen een dergelijk stelsel, de onzekerheid over het wisselkoersverloop, bestaat uiteraard niet in een systeem van vaste wisselkoersen.
Op 1 januari 1999 is de Economische en Monetaire Unie (EMU) in werking getreden. Elf landen van de Europese Unie hebben vanaf die datum een gemeenschappelijke munt, de Euro, en een gemeenschappelijk monetair beleid.
De belangrijkste doelstelling van de EMU is om de wisselkoersonzekerheid - en de daarmee gepaard gaande kosten - in de gemeenschappelijke Europese markt weg te nemen. Om de stabiliteit van de Euro te garanderen, bestaan een aantal waarborgen, zoals de convergentie criteria, het Stabiliteitpact en de politieke onafhankelijkheid van de Europese Centrale bank. De directe voordelen van de invoering van de Euro zijn een verlaging van de transactiekosten en een grotere doorzichtigheid van de Europese markt. Op wat langere termijn zou de Euro kunnen uitgroeien tot een belangrijke facturerings- en reservevaluta, waardoor de transactiekosten ook buiten Europa kunnen dalen.
Een eenmalige nadeel van de introductie van de Euro zijn de hoge invoeringskosten. Een meer fundamenteel bezwaar tegen de invoering van de Euro is het verlies aan monetaire soevereiniteit: de wisselkoers als instrument van monetaire politieke verdwijnt.
Van de landen die voorlopig buiten de EMU blijven wordt verwacht dat zij hun munten koppelen aan de Euro in het nieuwe wisselkoersmechanisme ERM-2. ERM-2 is een stelsel van vaste, doch aanpasbare wisselkoersen. Het wisselkoersmechanisme heeft als uitgangspunt dat voor elk van de deelnemende valuta's een officiële koers in Euro's wordt vastgesteld. Uit deze spilkoers en een fluctuatiemarge van + 15% zijn interventiekoersen af te leiden.
De centrale banken van de deelnemende lidstaten hebben tot taak de nationale valuta binnen de interventiegrenzen te houden, hetzij door een rente-aanpassing, hetzij door het aan- of verkopen van de eigen valuta (interventie). Slechts wanneer een valuta voortdurend onder op- of neerwaartse druk staat is een aanpassing van de spilkoers mogelijk.
Ten opzichte van de andere belangrijke valuta's in de wereld, zoals de Dollar en de Yen, zal de ECB geen wisselkoersdoelstelling formuleren. De Dollar, de Yen en de Euro vormen dus een stelsel van flexibele wisselkoersen.
Gedekte interestarbitrage
De koers op de valutatermijnmarkt komt tot stand onder invloed van gedekte interestarbitrage. Van gedekte interestarbitrage is sprake wanneer een belegger profiteert van internationale renteverschillen onder gelijktijdige uitsluiting van het valutarisico dat hij dientengevolge loopt. Hieruit valt af te leiden dat de termijnkoers tussen twee valuta's tot stand komt op een niveau waarbij risicomijdende internationale beleggers geen voorkeur hebben voor een belegging in één van beide landen. We spreken van interestpariteit wanneer het (dis)agio in de termijnkoers het renteverschil tussen twee landen compenseert. De valuta van een land met een hoge rente kenmerkt zich door een disagio, de valuta van een land met een lage rente door een agio.
Als men ervan uitgaat dat de valutamarkt efficiënt is, dat wil zeggen dat te allen tijde alle beschikbare informatie in de (termijn)koersen is verwerkt, kan de termijnkoers als een voorspellen van de toekomstige contante koers worden gebruikt.
De praktijk wijst uit dat de termijnkoers de toekomstige contante koers gemiddeld genomen weliswaar goed voorspelt, maar ook dat een tijdelijke over- of onderschatting mogelijk blijft.
4.1. Kenmerken van de valutamarkt
Aard en omvang van de transacties.Volgens een onderzoek van de BIS 1995 bedraagt de gemiddelde dagelijkse omzet op de internationale valutamarkten in 1995 USD 1.260 miljard (in 2000 is dit 2000 miljard). Het totale bedrag van de wereldhandel in 1995 bedroeg USD 6.090 miljard (in 2000 is dit 8.000 miljard). Aan slechts 5% van de valutahandel ligt een reële transactie ten grondslag = aan- en verkoop van goederen.
Het internationale kapitaalverkeer is dus bepalend voor de koersvorming. Het internationale kapitaalverkeer is zeer gevoelig voor veranderingen in het marktsentiment.
4.2. De structuur van de valutamarkt
De valutamarkt is het werkterrein van centrale banken, algemene banken, grote bedrijven en in toenemende mate institutionele beleggers (pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen). Er is 24 uur per dag sprake van valutahandel, het is een doorzichtige markt.Koersinformatie is via internationale communicatienetwerken 24 uur per dag beschikbaar.
- Arbitrage = het gebruik maken van koersverschillen tussen financiële centra op één bepaald moment in de tijd.
- Speculatie = het gebruik maken van verwachte koersverschillen in de tijd. Contante markt; dagprijzen (spotmarket) = totaal van vraag en aanbod met betrekking tot een bepaalde valuta
Biedkoers = aankoopkoers bank (de koers die de klant krijgt als hij/zij vreemde valuta verkoopt aan de bank) bijv. USD 1 = Euro 0,94
Laatkoers = verkoopkoers bank (de koers die de klant moet betalen als hij/zij vreemde valuta koopt bij de bank) bijv. USD 1 = Euro 0,98 - Absolute spread = verschil tussen laat- en biedkoers bijv. USD 1: 0,98 - 0,94 = 0,04. Als dit in procenten is uitgedrukt dan bereken je dit als volgt:
2% spread is x 0.99 (biedkoers) x 1.01 (laatkoers; hoog, je moet ervoor betalen) - middenkoers = (biedkoers + laatkoers)/2 = 0,96
- relatieve spread (percentage) = (verschil tussen de laatkoers en de biedkoers) x 100% biedkoers
4.3. Wisselkoersstelsels
Directe wisselkoersnotering (= continentaal): 1 eenheid van een vreemde valuta uitdrukken in eigen valuta (USD 1 = Euro 0,95)Indirecte wisselkoersnotering (= Angelsaksisch): 1 eenheid van de eigen valuta uitgedrukt in vreemde valuta Euro 1 = USD 1,0526.
Euro 1 = NLG 2,20371
Kruiselingse koersen via de USD (crossrates)
Aankoop Noorse kronen bij de ING-bank
Berekening van de laatkoers van de NOK bij de ING-bank:
ING koopt Dollars/ biedt guldens aan laatkoers USD 1 = NLG 1,9014
ING verkoopt dollars aan een Noorse bank tegen de biedkoers in NOK: USD 1 = NOK 8,4430
Klant moet voor NOK betalen:
ING-laatkoers NOK 1 = NLG 1,9014/NOK 8,4430 = NLG 0,2252
Verkoop Noorse kronen aan de ING-bank
Berekening van de biedkoers van de NOK bij de ING-bank:
ING vraagt dollars en biedt NOK aan: laatkoers van de DOLLAR in NOK: USD 1 = NOK 8,4450
ING verkoopt dollars tegen guldens: biedkoers van de dollar in guldens: USD 1 = NLG 1,9004
De ING-biedkoers van NOK in guldens:
NLG 1,9004/ NOK 8,4450 NOK 1 = NLG 0,2250
ING-KOERS NOK 1 = NLG 0,2250 - 0,2252
Cross rates via USD
Op de contante dollarmarkt gelden de volgende koersen
USD 1 = NLG 1,9004 - NLG 1,9014
USD 1 = NOK 8,4430 - 8,4450
Laatkoers van NOK in NLG: NOK 1 = 1,9014/8,4430 = NLG 0,2252
Biedkoers van NLG in NOK: NLG 1 = 8,4430/1,9014 = NOK 4,4404
Biedkoers van NOK in NLG: NOK 1 = 1,9004/8,4450 = NLG O,2250
Laatkoers van NLG in NOK: NLG 1 = 8,4450/1,9004 = NOK 4,4438
Bied
laat
NLG 1 = NOK 4,4404 - NOK 4,4438
NOK 1 = NLG 0,2250 - NLG 0,2252
4.4. De valutatermijnmarkt
Doel: afdekken van koersrisico's. Op de valutatermijnmarkt komen termijnprijzen tot stand. Termijnkoersen zijn rekenkoersen op basis van de looptijd van het contract en de interestverschillen tussen twee landen.Berekeningen op basis van enkelvoudige interest worden geaccepteerd.
Bijvoorbeeld: interest op jaarbasis 7,5% levert bij een contract met een looptijd van 6 maanden een rentepercentage van 3,75% op.
Op basis van samengestelde interest: (1 + i)1/2 ? 1 = (1 + 0,0375)1/2 ? 1 = 0,01857 = 1,857% De aard van het risico wordt bepaald door de aard van de positie.
Short-positie = appreciatie-risico (in de toekomst een bedrag in vreemde valuta betalen) Voorbeeld:
Een importeur moet over 6 maanden $ 500.000,- betalen (short in Dollars appreciatierisico)
Tegensluiten bij de bank
- De importeur sluit een termijnkoopcontract, nu zit de bank in een shortpositie
- De bank leent € op de geldmarkt (betaalt laat- interest in €)
- De bank koopt $ op de valutamarkt (eigenlijk de contante waarde van $500.000,- en betaalt daarvoor laat- interest in $)
- De bank zet $ uit op de geldmarkt (krijgt hiervoor bied- interest in $)
I = interest
- FORMULE: Ieur -/- Iusd = Tusd – Cusd
T = termijnkoers
Cusd C = contante koers
(rel. renteverschil) ( rel. swapverschil disagio/ agio)
Ieur = 5% (op jaarbasis!, dus 2,5% voor een half jaar = 0,025)
Iusd = 6% (op jaarbasis!, dus 3 % voor een half jaar = 0,03)
Cusd= € 1,10
0,025 -/- 0,03 = Tusd – 1,10/ 1,10
- 0,005 = Tusd – 1,10/ 1,10
- 0,0055 = Tusd – 1,10
1,10 -/- 0,0055 = 1,0945 (disagio)
(Als de rente in Europa hoger is dan in Amerika: agio)
Rescontreren = positie tegensluiten (zorgen dat er tegenover een schuldpositie een vordering komt te staan en andersom) - Long- positie = depreciatie- risico (in de toekomst ontvang ik een bedrag in vreemde valuta)
Voorbeeld:
Een exporteur verkoopt op termijn £ 500.000.- aan de bank. (long- positie depreciatierisico)
Afdekken bij de bank
- De exporteur sluit een termijnverkoopcontract, de bank sluit een termijninkoop- contract en zit nu in een long- positie.
- De bank leent £ 500.000.- op de geldmarkt (contante waarde, betaalt laatinterest)
- De bank verkoopt £ op de valutamarkt (betaalt daarvoor bied- koers)
- De bank zet € uit op de geldmarkt (krijgt hiervoor bied- interest)
I = interest - FORMULE: Ieur -/- Igbp = Tgbp – Cgbp
T = termijnkoers
Cgbp C = contante koers
(rel. renteverschil) ( rel. swapverschil disagio/ agio)
Ieur = 5,9 / 6,1% (op jaarbasis!, dus voor 9 maanden 0,059 x 0,75 = 0,04425)
Igbp = 3,9 / 4,1 % (op jaarbasis!, dus voor 9 maanden 0,041 x 0,75 = 0,03075)
Cgbp= € 1,50
0,04425 -/- 0,03075 = Tgbp – 1,50/ 1,50
0,0135 = Tgbp – 1,50/ 1,50
0,02025 = Tgbp – 1,50
1,50 -/- 0,02025 = 1,52025 (positief dus agio, in NL hogere inflatie)
Er is sprake van een negatief rente- klimaat bij een stijgende lange rente, omdat de obligatiekoersen dan dalen en daar zijn obligatiebeleggers niet blij mee. Ook de partijen die obligatieleningen uitschrijven hebben geen baat bij een hoge lange rente omdat zij dan over nieuwe leningen een hogere nominale rente moeten vergoeden. De koerst van de lange rente is dan lager.
5. De vermogensmarkten
Vermogensmarkt is de markt waarop vermogenstitels worden verhandeld in ruil voor geld- marktwaar, functies en indeling
- geldmarkt (nationaal en internationaal = Eurovalutamarkt);
- kapitaalmarkt (nationaal en internationaal)
- rentestructuur (verhouding lange en korte rente)
5.1. Marktwaar en prijsvorming
Aanbod van liquiditeiten = vraag naar vermogenstitels (=obligaties)Vraag naar liquiditeiten = aanbod van vermogenstitels
Vermogenstitels kunnen bestaan uit boekvorderingen (niet verhandelbaar) en waardepapieren
(verhandelbaar op de secundaire vermogensmarkt)
Functies van de vermogensmarkten is het bij elkaar brengen en het op elkaar afstemmen van liquiditeitstekorten en -overschotten die in een economie bestaan. Op deze markten spelen financiële instellingen een belangrijke rol.
Transformatie naar: (toevertrouwde middelen: kredietverlening/ beleggingen)
- omvang;
- termijn;
- risico.
5.2. Indeling van de vermogensmarkten
Criterium looptijd: geld- en kapitaalmarktCriterium vermogenstitel: primaire en secundaire vermogensmarkt
Geldmarkt = de markt voor vermogenstitels met een resterende looptijd van twee jaar en korter
Geldmarkt in enge (beperkte) zin= verhandeling boekvorderingen tussen banken en de ECB
Marktwaar= leningen aan de banken tegen de officiële tarieven.
Geldmarkt in ruime zin= beslaat alle marktpartijen die een tijdelijk liquiditeitsoverschot of - tekort hebben.
Marktpartijen geldmarkt in ruime zin:
Groothandel Detailhandel Internationaal (= Eurovalutamarkt)
banken; banken; banken;
overheid; bedrijven; overheid;
institutionele beleggers; gezinnen. institutionele beleggers;
grote bedrijven. grote bedrijven.
Marktwaar groothandel:
- daggeldleningen (dagelijks opvraagbaar);
- kasgeldleningen (kortlopende leningen met een vaste rente en een vaste looptijd van 14 dagen tot maximaal 1 jaar);
- interbancaire deposito’s (deposito’s die banken bij elkaar aanhouden waarmee zij hun groothandelsfunctie vervullen);
- onderhandse leningen (looptijd minstens 1 jaar maar< 2 jaar);
- certificates of deposit (door de banken uitgegeven verhandelbare deposito’s);
- commercial paper (verhandelbare kortlopende schuldbekentenissen van grote ondernemingen);
- schatkistcertificaten en schatkistpapier (door de Staat uitgegeven kortlopende schuldbekentenissen)
- obligaties (< 2 jaar) = obligatiestaarten
Marktwaar kleinhandel:
- rekening-courantkrediet;
- persoonlijke lening;
- kortlopende termijndeposito’s;
- kortlopend spaargeld.
Marktwaar Eurovalutamarkt (n.v.t.)
Deposito’s en leningen luidend in andere valuta dan die van het land waar ze verhandeld worden. Het tarief is de Eurodollarrente, Europondenrente enz.
Rentevorming op de geldmarkt (= korte rente)
Rente op de geldmarkt in ruime zin = EURIBOR
Driemaands rente = indicator voor de ontwikkeling van de geldmarktrente.
Bedrijven die geld lenen betalen afhankelijk van hun kredietwaardigheid een renteopslag boven euribor.
Drie factoren die zowel de geld- als de kapitaalmarktrente bepalen:
- het monetair beleid;
- internationale kapitaalstromen;
- de fundamentele economische ontwikkeling (= economic fundamentals).
Categorie Rentebepalende factoren Invloed Termijn
- Monetair beleid * prioriteiten ECB groot zeer kort
- Internationale
- wisselkoersen en inflatie korte termijn
- geloofwaardigheid monetair beleid
- politiek nieuws groot zeer kort
Tabel 5.8. Factoren die de rente op de kapitaalmarkt bepalen (LANGE TERMIJN)
Categorie Rentebepalende factoren Invloed Termijn
- Monetair beleid * geldmarktrente beperkt
- Internationale kapitaalstromen * marktsentiment t.a.v.:
- inflatie lange termijn
- wisselkoers lange term.
- politiek nieuws groot kort
- Economische * conjunctuur en inflatie
fundamentals * saldo lopende rekening * overheidstekort groot (middel) lang
De ECB en de filialen (nationale centrale banken) beschikken over een waar arsenaal aan instrumenten. Het uitgangspunt is dat de ECB bewust een structureel geldtekort creëert. Dat betekent dat alle gewone banken bij de centrale bank geld moeten aanhouden als verplichte kasreserve.
Voor Nederlandse banken is dat bedrag ongeveer 8 miljard Euro. Door geld verplicht aan te houden bij de centrale banken, komen zij regelmatig geld tekort in hun dagelijkse verkeer met andere banken, bedrijven en cliënten. Dat geld moeten de banken dan lenen van de centrale bank.
De rente die de centrale bank daarvoor berekent, is maatgevend voor het gehele geldsysteem: banken zullen onder normale omstandigheden op zijn minst hetzelfde rentetarief berekenen aan elkaar en aan hun klanten.
Om te mogen lenen moeten de banken een onderpand inbrengen. Met name kort- en langlopend schuldpapier van de overheden van de elf Eurolanden is geschikt als onderpand. Banken belenen hun onderpand in ruil voor geld.
Elke week is een ronde van beleningen, die een looptijd hebben van veertien dagen. De rente die de ECB berekent wordt refi (= basis-herfinancieringstransactie) genoemd of ook wel beleningsrente (vroeger: repo = repurchase- of beleningsrente).
Het systeem
Het systeem klinkt eenvoudig, maar is in zijn uitvoering complex. Elke werkdag doen banken enorm veel transacties met elkaar en de centrale bank. Die transacties gaan in Euroland via een Europees vereveningssysteem.
Aan het eind van elke dag blijkt welke bank er na afwikkeling van alle transacties een geldtekort heeft, en welke bank juist geld over heeft. Dit zeer kortlopende geld kan bij de ECB gedurende een nacht worden weggezet of juist geleend. Overtollig geld even overnight wegzetten bij de ECB kan door middel van een depositofaciliteit.
Voordelig is dat niet: de depositorente die ECB geeft vormt de bodemrente in de geldmarkt. Als een bank aan het eind van de dag tekort komt, kan hij ook bij ECB terecht.
Deze bank kan een beroep doen op de marginale kredietfaciliteit, waarvoor niet zoveel formaliteiten nodig zijn als bij andere langer lopende beleningen. De rente op dergelijke noodleningen is hoog en vormt de plafondrente in de geldmarkt.
Samen vormen de depositofaciliteit en de marginale beleningsfaciliteit de permanente faciliteiten van de ECB.
De ECB kan natuurlijk niet alles voorzien. De toewijzing van geld door veertiendaagse beleningen is soms een te ruw instrument. Het kan voorkomen dat er toch te veel of te weinig geld op de markt is. De ECB neemt dan zijn toevlucht tot fijnafstellers ("fine-tuning") van de geldmarkt te weten open-markttransacties. De ECB kan bijvoorbeeld langer lopend schuldpapier op de financiële markten kopen om meer geld in het financiële systeem te brengen.
Andersom kan de ECB ook langer lopend schuldpapier op de financiële markt verkopen met het doel de geldmarkt te verkrappen.
Een andere mogelijkheid is het omzetten van Eurotegoeden van de banken in buitenlandse valuta of, andersom, het omzetten van buitenlandse valutategoeden van banken in Eurotegoeden (swaptransactie).
Samengevat beïnvloedt de ECB de rente op drie manieren:
- de rentetarieven op "overnight"- tekorten of -overschotten in het dagelijkse verkeer op de geldmarkt (de depositorente en de marginale beleningsrente vormen een rentecorridor = boven- en ondergrens in de geldmarkttarieven);
- binnen de corridor beweegt de refi-rente; de belangrijkste veertiendaagse beleningsrente (in de eerste weken van januari 1999 vastgesteld op 3%). De banken moeten onderpanden belenen om geld te kunnen krijgen;
- fijnafstellingsinstrumenten om op ad hoc basis de hoeveelheid geld op de geldmarkt te kunnen verkrappen of verruimen.
De verwachting dat de ECB de rente verhoogt zorgt ervoor dat de inflatieverwachting afneemt, waardoor de lange rente daalt.
Ad 2. Internationale kapitaalstromen
Deze zorgen ervoor, dat het verschil tussen de officiële tarieven en euribor kleiner of groter wordt. Als kapitaal EMU uitstroomt stijgt EURIBOR en omgekeerd.
Internationale kapitaalstromen worden door internationale renteontwikkelingen en wisselkoersverwachtingen op gang gebracht. Op de achtergrond speelt dan politiek en economisch nieuws.
Ad 3. Economische fundamentals
Deze hebben op een indirecte manier invloed op de geldmarktrente. Naast inflatie (rente), loonkostenontwikkeling, conjunctuur, geldhoeveelheid, saldo lopende rekening, werkloosheidscijfers, begrotingssaldo. Economische...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.

