Een boekje over bedrijfskundige methodologie : management van onderzoek
Leeuw, A.C.J. de
Geplaatst op Woensdag 29 oktober 2003
Hoofdstuk 2
2.1 Bedrijfskunde als wetenschap
Er zijn verschillende opvattingen over wetenschap. Zo kan men het subjectieve en contextgebonden karakter van wetenschap sterk benadrukken (wetenschappelijke kennis als sociaal fenomeen) of het streven naar universele objectieve kennis. Wij stellen het kennisaspect centraal.Evenals andere wetenschappen kan men bedrijfskunde zien als geheel van kennis en daarmee het vak bedrijfskunde beschrijven door nader op de aard van die kennis in te gaan.
Bedrijfskundige kennis
Bedrijfskundige kennis kan worden onderscheiden in:
- Persoonsgebonden ervaring
- De specifiek voor een bepaalde probleem verworven kennis
- Algemene Bedrijfskundige kennis
De specifiek voor bepaalde probleem verworven kennis is het resultaat van specifiek praktijkonderzoek (een groot deel van het boek gaat hierover).
Algemene Bedrijfskundige kennis omvat bedrijfskundige theorieën, concepten en methoden voor de bedrijfsvoering.
Algemene Bedrijfskundige kennis kan van andere kennis (economische, psychologische, sociologische, juridische) worden onderscheiden door te kijken naar:
- Het doel van die kennis;
- Naar dat waarop die kennis betrekking heeft (empirisch object en kenobject);
- Naar de manier waarop die kennis wordt verworven oftewel de methodologie;
- Naar de aard van die kennis.
- Resultaatgericht
- Probleemgericht
- Denkend in samenhangen
- Interdisciplinair
- Besturingsgericht
De aard van de bedrijfskundige kennis is pluriform (veel contrasterende invalshoeken omvattend) en wetenschappelijk. Wetenschappelijke kennis is gefundeerde kennis.
Kennisproducten
Wil kennis bruikbaar zijn voor anderen moet ze op een of andere manier worden overgedragen en dus, veelal door vastlegging op een of andere wijze, expliciet worden gemaakt.
Algemene Bedrijfskundige kennis —> d.m.v. Publicaties
Praktijkonderzoek —> d.m.v. Rapporten
Traditioneel ligt bij het bespreken van wetenschappelijke kennis de nadruk op theorie:
- niet praktisch
- los gebruikt verzamelwoord van allerlei soorten algemene kennisproducten
Empirische en formele wetenschappen
Het standaardvoorbeeld van een formele wetenschap is de wiskunde.
Bedrijfskunde is een empirische wetenschap. Dat wil zeggen dat het vak handelt over verschijnselen in de werkelijke wereld. (informeel als je het zo bekijkt in vergelijking met wiskunde).
Ontwerpwetenschap
Bedrijfskunde is niet zomaar een empirische wetenschap maar heeft daarboven ook constructieve aspecten: het reikt hulpmiddelen aan om ontwerpend in de werkelijkheid in te grijpen.
Van Aken (1994) onderscheidt 3 categorieën wetenschap:
- Formele wetenschappen
- Empirische wetenschappen
- Ontwerpwetenschappen
Fundamenteel en toepassingsgericht
Bedrijfskunde is vooral toepassingsgericht: het vertrekpunt vormt voor praktijkproblemen het praktijkprobleem. De theorie wordt dan gebruikt bij de oplossing daarvan.
2.2 Kennis voor management en bestuur: handelen en inzicht
Er zijn vele zienswijzen op management maar wij beperken ons hier, uiteraard, tot die zienswijzen waarbij management, mede berust op kennis en inzicht.De relatie tussen management en kennis kan dan goed worden beschreven uitgaande van een oude omschrijving van management: 'getting things done'. Management is ingrijpen met inzicht en oogmerk: management is besturen: gerichte productie van invloed. Uit termen als inzicht en weloverwogen blijkt reeds dat besturen onder meer op kennis is gebaseerd. Het resultaat van managen moet niet toevallig zijn.
Kennis en handelen
Managen (bedrijfskundig handelen), kennis en kennisverwerving staan met elkaar in verband.
Managen zorgt door ervaring voor nieuwe kennis en gebruikt bestaande kennis die is verworven door die ervaring of door onderzoek. Voor onderzoek is ook weer bedrijfskundig handelen noodzakelijk.
Management en kennis
In de besturingstheorie worden de zogenaamde Voorwaarden voor Effectieve Besturing (VEB) geformuleerd. Het zijn noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarden. Die voorwaarden zijn:
- Een doelstelling of ten minste een manier om vast te stellen of het de goed kant op gaat.
- Een model van het te besturen deel van de werkelijkheid (van het te besturen systeem).
- Informatie over de omgeving.
- Informatie over de toestand van het systeem.
- Voldoende bestuurlijke maatregelen.
- Een toereikende capaciteit om informatie te verwerken.
- In hoeverre worden de doelstellingen bereikt?
- Hoe werkt het systeem?
- Wat is de situatie in de omgeving?
- Wat is de toestand van het systeem?
- Welke maatregelen zijn mogelijk om een bepaald gewenst resultaat te bewerkstelligen?
- Vragen om kennis voor evaluatie of beoordeling (voorwaarde1)
- Vragen over (relevante aspecten van) een situatie (voorwaarde 3 en 4)
- Vragen over verbanden tussen oorzaken (waaronder maatregelen) (voorwaarde 2)
- Vragen over mogelijke maatregelen (voorwaarde 5)
2.3 Bruikbare kennis: wetenschap, kwaliteit en klanten
Als je bedrijfskundig praktijkonderzoek ziet als produceren van kennisproducten voor klanten ligt de verbinding met kwaliteit voor de hand. Onderzoek moet 'netjes' worden gedaan, doelmatig en methodologisch verantwoord zijn, het moet bruikbare resultaten opleveren en aansluiten bij de kennisbehoefte van de klanten. Hoe wordt kwaliteit ingeval van onderzoekresultaten gedefinieerd:? En: welke kenmerken zijn dan vereist?Wetenschappelijke- en praktijkcriteria
Wetenschappelijke criteria: waarheid, toetsbaarheid, controleerbaar, objectief, expliciet, precies, consistent, informatief, systematisch, doorzichtig, belangenloos, algemeen, …..
Praktijkcriteria: relevant, gefundeerd, begrijpelijk, tijdig, betaalbaar, baas in eigen huis, compleet te opzicht van de problematiek, rekening houdend met gevoeligheden en belangen, uniek, ….. Om een en ander preciezer te onderzoeken kun je van twee kanten uitgaan. De meeste methodologische literatuur verstrekt vanuit de wetenschappelijke criteria. De andere weg is echter zeker zo interessant in verband met praktijkonderzoek.
Kwaliteit
Methodologie van praktijkonderzoek heeft 3 invalshoeken: (échte) bruikbaarheid, overeenstemming met eisen van vakbekwaamheid en overeenstemming met methodologische normen ('netjes'). De onderscheiding tussen productkwaliteit en proceskwaliteit heeft in de methodologie een parallel: productdefinitie en procesdefinitie van onderzoek maken het mogelijk de methodologische kwaliteit van product en onderzoeksproces te onderscheiden.
Bij toepassing van kwaliteitsdenkbeelden op onderzoek moet natuurlijk rekening worden gehouden met bijzondere kenmerken van dit type primair proces. We hebben te maken met professionele dienstverlening. Bijzonder is onder meer dat het waarborgen van gebruikskwaliteit als gevolg van de grote differentiatie en onderzekerheid maar heel beperkt met behulp van concrete gedetailleerde regels en normen kan plaatsvinden.
Kwaliteit: bruikbaarheid
We vertrekken vanuit de eerste pragmatische omschrijving: kwaliteit is bruikbaarheid. Onderzoeksresultaten zijn bruikbaar als:
- Ze verbonden zijn met de concrete problematiek van de klant = relevant
- En erop kan worden vertrouwd = deugdelijk
| Deugdelijkheid | Ondeugdelijkheid | |
| Niet relevant | Niet bruikbaar | Kan geen kwaad |
| Relevant | Bruikbaar | Gevaarlijk |
Relevantie
Relevantie omvat: tijdige beschikbaarheid, begrijpelijkheid voor hen die ermee moeten werken en tenslotte aansluiting bij de besturingsproblematiek. Begrijpelijkheid is een lastig punt. Dat brengt met zich mee dat bedrijfskundigen ook didactisch en taalkundig bekwaam moeten zijn: de resultaten moeten zó worden weergegeven dat ze begrepen worden zonder dat ze daardoor ondeugdelijk worden.
Ook oplossing van dergelijke moeilijkheden vergt vakbekwaamheid.
Deugdelijkheid
Deugdelijkheid omvat al die aspecten van wetenschappelijkheid die het mogelijk maken dat op de resultaten werkelijk kan worden vertrouwd. Dat heeft te maken met punten als juistheid, precisie, consistentie.
In de praktijk zal men dan zeggen: wij hebben behoefte aan simpele aanbevelingen. Bedrijfskundigen moeten hun uiterste best doen om aanbevelingen zo eenvoudig en transparant als maar mogelijk te formuleren, let wel: vereenvoudiging die resulteert in ondeugdelijkheid is ontoelaatbaar!
Doelmatigheid
Methodologie opgevat als de (leer van de) inrichting van onderzoek of, nog algemener, management van onderzoek, vergt nog een extra criterium: doelmatigheid (efficiency)
Welke opvatting je ook hebt over de relatie tussen onderzoek er en klant, bij praktijkonderzoek is evenals bij andere dienstverleningsprocessen niet alleen de kwaliteit essentieel maar gaat het om kwaliteit en om de prijs- kwaliteit (prijs- prestatie) verhouding. Als onderzoeker kun je in principe eigenlijk geen resultaten garanderen maar 'slechts' inspanning. Bij advisering komt het verschil tussen inspanning en resultaat nog sterker naar voren: in de gedragscode van de Orde voor Organisatieadviseurs wordt expliciet aangegeven dat geen resultaatverbintenis mag worden aangegaan met een klant maar dat er van een inspanningsverbintenis spraken moet zijn. In eerste plaats is er bij ieder onderzoek onzekerheid waardoor je niet weet wat eruit komt en daarmee ook niet hoe bruikbaar dat zal zijn.
Overigens verschuiven de opvattingen: niet alle adviseurs houden zich strikt en letterlijk aan de inspanningsverbintenis. Methodologie is in deze context dan ook nauw verbonden met de kwaliteitsvraag van deze inspanning. Bij een methodologisch niet te verdedigen aanpak is er geen prestatie geleverd.
Wie zijn klant? Het gaat erom door onderzoek de klant werkelijk van dienst te zijn. Dat vergt een heel genuanceerd proces van explicitering en afstemming van behoeften en mogelijkheden: productspecificatie. Onderzoekers moeten heel bewust vaststellen voor wie ze het onderzoek doen.
Eén houvast hebben we echter: bruikbaarheid zonder deugdelijkheid bestaat niet. Dat betekent dat we uiteraard de opvatting verwerpen dat het rekening houden met de klant van het onderzoek zou betekenen dat je ten aanzien van de inhoud van het onderzoek de uitkomsten zou laten beïnvloeden door de belangen.
Ook is het zo dat managers in zekere zin (hun eigen) onderzoekers zijn. Controle op deugdelijkheid van eigen erva
ring wordt nog wel eens vergeten. Tenslotte is er nog een algemene omschrijving te geven van bruikbaarheid van kennisproducten die verschillende soorten gebruik omvat: bruikbaarheid van kennisproducten is de mate dat ze de klant beter in staat stellen zijn probleem op te lossen.
Wanneer is wetenschappelijkheid van belang?
Wetenschappelijke kennis is methodologisch verantwoorde kennis.
| Methodologische doordenking | Methodologische verantwoording | |
| Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek | Altijd nodig | Altijd nodig |
| Praktijkonderzoek | Altijd nodig | In bepalde gevallen nodig |
- mogelijke contra- expertise (b.v. OR schakelt eigen deskundige in); • oncontroleerbare verspreiding van resultaten;
- indien is gekozen voor een op rationele overtuiging gebaseerde advi esstrategie (harde feiten waar geen speld tussen te krijgen is).
- indien men het onderzoek wil kunnen herhalen';
- indien de inbreng van de onderzoeker beperkt is tot kennisverwerving op een beperkt onderdeel van een overigens gecompliceerd besluitvormingsproces;
- indien de cultuur van de organisatie ten behoeve waarvan onderzocht wordt gekenmerkt wordt door wetenschappelijke grondhouding.
2.4 Samenvatting
Bedrijfskunde is een fundamenteel en praktijkgerichte wetenschap: Bedrijfskunde beoogt kennis te verwerven die kan worden gebruikt bij verbetering van de bedrijfsvoering. Centraal bij het kijken naar processen van organisatie en management binnen en tussen organisatie staan besturingsvragen van verschillende aard. Bedrijfskunde is daarmee constructief: het is een ontwerp vak.Er is een nauwe band tussen kennis en handelen: zonder kennis geen goed management en zonder management geen onderzoek dat goed kennis oplevert.
Wetenschappelijkheid, in de zin van methodologisch verantwoord werken, is essentieel zowel bij fundamenteel wetenschappelijk onderzoek als bij praktijkonderzoek.
Omdat besturingsvragen centraal staan heeft de behoefte aan kennis daar uitdrukkelijk mee te maken: het zal gaan om vragen naar beoordeling, naar gegevens omtrent situaties, naar verbanden tussen oorzaken en gevolgen en tussen maatregelen en effecten daarvan en naar mogelijke verbeteringsmaatregelen.
Kwaliteit van Bedrijfskundige kennis wordt gezien als bruikbaarheid. Bruikbaarheid vergt relevantie en deugdelijkheid. Daarbij komt vanzelfsprekend nog doelmatigheid.
Hoofdstuk 3
Bedrijfskundige kennisproducten Bij onderzoek gaat het altijd om kennis. Bij praktijkonderzoek om kennis waarmee in een praktijksituatie iets kan worden gedaan. De term bewering drukt uit dat degene die de bewering doet van de juistheid overtuigd is of althans die indruk wekt.Het algemene kennisbestand van bedrijfskunde is echter ruimer. Het omvat: uitspraken (beweringen), theorieën en modellen. Met name zijn allerlei vormen van modellen voor de bedrijfskunde van belang zoals: empirische- en conceptuele modellen, ontwerpmodellen, ontwerpen, methoden, instrumenten en prototypes. Dit zijn allemaal producten van onderzoek: kennisproducten.
Men kan deze kennisproducten zien als antwoorden op vragen van management. Kennisproducten spelen ook een grote rol in het onderzoek zelf.
Er worden drie vormen van kennisopslag besproken. Het belang daarvan is drieledig: met behulp van dat inzicht kun je bij de aanpak van onderzoek beter aangeven welk soort resultaat wordt gezocht, het stelt in staat kennisproducten te herkennen en het stelt in staat ze op kun eigen merites te beoordelen.
3.1 Uitspraken en hun beoordeling
De praktijk van management zit vol met uitspraken (het marktaandeel is het afgelopen jaar verder toegenomen, etc.). De meeste zijn inhoudelijk (betreffen de huidige of toekomstige werkelijkheid), sommige zijn methodologisch van aard (b.v. over de onderbouwing).Het is evident dat zulke uitspraken grondstof zijn voor het management. Het is dan ook belangrijk die uitspraken te beoordelen op bruikbaarheid. Dit gebeurt in beginsel op drie manieren:
- Vergelijken met eigen inhoudelijke kennis (sluit het aan bij wat je al wist?);
- Afgaan op de bron van de bewering (gezag, als die het zegt zal het wel waar zijn);
- En nagaan of een en ander methodologisch klopt.
3.1.1 Soorten uitspraken
Vaststellen van de kwaliteit en dus de bruikbaarheid van uitspraken omvat vaststelling van relevantie en deugdelijkheid.Uitspraken kunnen worden onderscheiden naar:
- De aard van hun betrekking;
- Algemeenheid;
- Abstractieniveau.
Ad a. De aard van hun betrekking
We beginnen met het onderscheid naar de aard van hun betrekking tot de werkelijke wereld.
Empirische definities beogen verschijnselen in de werkelijkheid te definiëren, empirische beweringen beogen verbanden tussen verschijnselen weer te geven, te verklaren of te voorspellen.
Analytische beweringen zijn strikt logische gevolgtrekkingen.
Normatieve uitspraken kunnen ook op de werkelijkheid betrekking hebben. Ze leggen immers veelal vast hoe het daar zou behoren te zijn, hoe het eraan toe zou moeten gaan of hoe men te werk zou dienen te gaan.
Het verschil is dat de ene op de werkelijke werkelijkheid en de andere op de wenselijke werkelijkheid betrekking heeft.
Ad b. Algemeenheid
In de tweede plaats kunnen beweringen worden onderscheiden naar algemeenheid. Ze kunnen op een specifiek verschijnsel betrekking hebben of op een bepaalde klasse slaan.
Ad c. Abstractieniveau
In de derde plaats is het onderscheid naar abstractieniveau voor empirische uitspraken van belang. Het begrip abstract kan dus slaan op formeel, zonder empirische inhoud, maar ook op een empirische bewering die in theoretische begrippen is gegoten.
We onderscheiden 5 typen uitspraken
- definities
- empirische beweringen
- analytische beweringen
- normatieve beweringen
- mengvormen
Definities zijn uitspraken die de betekenis van begrippen vastleggen. Er zijn twee hoofdsoorten: definities die be o-gen te verwijzen naar empirische verschijnselen en formeel abstracte definities die dat niet doen.
- Formele definitiesFormele definities komen in de bedrijfskunde met name voor in de wiskundige hulpvakken. De kwaliteit van dergelijke definities omvat relevantie en deugdelijkheid. Relevantie heeft hier te maken met het nut van die definities in de formele theorie. Deugdelijkheid heeft onder meer betrekking op consistentie en precisie.
- Empirische definitiesEmpirische definities leggen de definiërende kenmerken vast. Anders gezegd: ze leggen vast over welke aspecten van de werkelijkheid met het wil hebben. Het is duidelijk dat men door de overgang op een andere definitie vooral poogt het verschijnsel 'werkloosheid' b. v. beter in de vingers te krijgen. De wijziging is een wijziging van wat wordt genoemd een operationele definitie: een empirische definitie die concreet aangeeft langs welke weg de werkloosheid wordt gemeten. Zo'n operationele definitie wordt gegeven tegen de achtergrond van een theoretisch of conceptuele definitie (echte werkloosheid).
Relevantie duidt op de vraag of je met die definitie werkelijk iets kan doen in het kader van het probleem waar je mee bezig bent, of de definitie hanteerbaar is.
Definiëren van empirische begrippen is bij praktijkonderzoek uiterst belangrijk maar lastig.
Deugdelijkheid houdt in dat definities consistent en precies moeten zijn.
Definities als kijkinstrument
Door een verschijnsel op een bepaalde wijze te definiëren zie je het ook zo. Dat geldt in heel sterke mate voor conceptuele definities. Door verandering van conceptuele definities verandert de kijk op de werkelijkheid. Ook voor operationele definities kun je stellen dat het kijk-instrumenten zijn: ze definiëren de relevante aspecten van het ve rschijnsel maar dan op concreet direct waarneembaar niveau.
Ad 2. Empirische beweringen
Dit zijn uitspraken die pretenderen iets te zeggen over de werkelijkheid: kan waar zijn of niet. Het is van belang erop te wijzen dat de vraag of een bewering al dan niet waar is geen invloed heeft op de typering als empirische bewering. Een kernpunt bij het vaststellen van de kwaliteit van empirische uitspraken is nu juist het onderzoeken van de (vermoedelijke) juistheid (als onderdeel van de deugdelijkheid).
Soorten empirische beweringen
Empirische beweringen laten zich naar algemeenheid en abstractieniveau indelen in:
- Direct empirische beweringen Deze beweringen zijn geformuleerd in direct waarneembare termen en betreffen specifieke feiten. De mate van abstractie kan verschillen. Direct empirische beweringen beschrijven aspecten van de werkelijkheid in concrete begrippen.
- Empirische generalisatie Dit zijn uitspraken over categorieën die overigens nog steeds zijn geformuleerd in concreet waarneembare termen. Hoe abstracter de gebruikte begrippen hoe meer empirisch generalisaties gaan lijken op wetmatigheden.
- Theoretische beweringen, wetmatigheden Theoretische beweringen zijn geformuleerd in theoretische (conceptuele, abstracte) begrippen (concepten) zoals motivatie, flexibiliteit, etc. Ze leggen verbanden vast tussen conceptuele (theoretisch) begrippen maar zijn geen definities omdat ze iets beogen te zeggen over verbanden in de werkelijkheid. Kenmerkend voor theoretische begrippen is dat ze niet rechtstreeks waarneembaar zijn. Iemands motivatie kun je niet rechtstreeks zien. We komen hier weer aan het operationalisatie probleem: wat zegt het gedrag of het antwoord op die vragen nu over de werkelijke achterliggende motivatie?
- Causale beweringen gaan er van uit dat de oorzaak aan het gevolg voorafgaat.
- Een teleologische beweringen maakt van een ander verklaringsprincipe gebruik. Het merkwaardige is nu dat in zekere zin de oorzaak ná het gevolg wordt gezocht. Teleologische (teleologisch= op een bepaald doel gericht) verklaringen maken gebruik van een verklaringsprincipe dat verwijst naar intenties (naar bedoelingen, naar strevingen).
Twee (andere soort) varianten op 2.2 en 2.3:
Bij stochastische (statistische) uitspraken is de uitspraak gegoten in termen van kansen.
Deterministische beweringen zijn in termen van zekerheid geformuleerd.
Gebruik van empirische beweringen
Het gebruik van specifieke (bijzondere) empirische beweringen is tweeërlei. Ze kunnen een rol vervullen in een concrete managementsituatie. Algemene empirische beweringen (theoretische wetmatigheden, empirische generalisaties) worden gebruikt als hulpmiddel bij verklaring.
Ze worden ook gebruikt als grondstof voor besturen omdat men er voorspellingen op kan baseren.
Voor algemene causale beweringen (empirische generalisaties, theoretische wetmatigheden) is het algemene schema van verklaring aldus:
Onder omstandigheden a,b,c, … leidt X tot Y (causale bewering)
X doet zich voor en omstandigheden a,b,c,… zijn aanwezig
Daarmee is het optreden van Y verklaard.
Ook als basis voor beleid is er een gemakkelijke herschikking van dit zogenaamde DN schema (Deductief Nomologisch betekent: uit een wetmatigheid afleiden) te geven.
Aan het eind van §2.1 is gesteld dat vragen van management in het algemeen van vier typen zijn:
- Vragen om kennis voor evaluatie of beoordeling;
- Vragen over (relevante aspecten van) een situatie;
- Vragen over verbanden tussen oorzaken (waaronder maatregelen) en gevolgen;
- Vragen over mogelijke maatregelen.
Beoordelen van kwaliteit en doelmatigheid van empirische beweringen
Als je de kwaliteit van een bewering wilt beoordelen (en dat is verstandig wanneer je er gebruik van gaat maken) is eerder betoogd dat de methodologische ingang het meest zeker is.
Doelmatigheid van een enkelvoudige bewering staat in nauw verband met relevantie. Het gaat om aspecten als eenvoud, doorzichtigheid en informativiteit in relatie met het beoogde gebruik. Bepaling van de relevantie houdt in dat wordt onderzocht wat men er in de bewuste managementsituatie mee kan doen. De wetenschappelijke deugdelijkheid kan worden vastgesteld door te kijken naar de bewering zelf of naar de onderbouwing (fundering) ervan (gefundeerde beweringen). Het gaat hier over vragen als: Waarom? en: Waarop be-rust die mening?
De bepaling van de deugdelijkheid hangt af van het type van de betreffende uitspraak. Voor direct empirische uitspraken is dat in beginsel eenvoudig: gewoon kijken of het geval zicht heeft voorgedaan. Voor empirische generalisaties kan de deugdelijkheid door middel van goed gekozen steekproeven en statistische analyse worden vastgesteld waarbij uiteraard ook de deugdelijkheid van de gebruikte definities aan bod moet ko-men.
Voor theoretische beweringen is het vaststellen van de deugdelijkheid lastiger. Dat is in zekere zin jammer omdat de bruikbaarheid van theoretische beweringen voor zover ze deugdelijk zijn in potentie veel groter is dan empirische generalisaties. We moeten op dit punt een uitstapje maken naar de wetenschapstheorie
(Wetenschappelijke) deugdelijkheid omvat twee aspecten: juistheid en informativiteit. Juistheid vergt allereerst toetsbaarheid. Volgens Popper moet er sprake zijn van falsifieerbaarheid of weerlegbaarheid. Dat wil zeggen dat de bewering zo moet zijn geformuleerd dat er in beginsel een tegenvoorbeeld mogelijk is. Het geldigheidsbereik (bereik waarbinnen de uitspraak geldt) moet dus worden aangegeven. De bewering moet ook in operationaliseerbare termen zijn weergegeven oftewel operationaliseerbaar zijn. Tenslotte is ook de precisie van het geldigheidsbereik van belang: zijn de omstandigheden goed aangegeven en zijn de begrippen precies geformuleerd?
Informativiteit is de mate dat de uitspraak werkelijk veel inhoud heeft. De informativiteit wordt bepaald door precisie en algemeenheid van het bereik van geldigheid en de mate dat je erop kunt vertrouwen. Een ontoetsbare bewering heeft een informativiteit van nul. Toetsbare beweringen hebben een grote informativiteit als er in beginsel veel potentiële mogelijkheden tot weerlegging zijn.
| Onprecies | Precies | |
| Klein geldigheidsbereik | moeilijk toetsbaar: gevaar zonder nadere interpretatie niet concreet bruikbaar matige informatiewaarde |
(goede) aanbevelingen en conclusies geldend voor een specifieke managementsituatie informatief voor dit geval |
| Groot geldigheidsbereik | Niet toetsbaar de POPI literatuur: groot gevaar schijnbruikbaarheid |
waardevolle algemene kennisproducten grote potentiële informatiewaarde lage informatiewaarde |
Een praktisch aspect van toetsbaarheid is controleerbaarheid. Als onderzoeker resultaten produceert maar er niet bij vertelt hoe ze zijn verkregen dan is de kwaliteit en in het bijzonder de deugdelijkheid moeilijk te bepalen. Daarom legt de methodologie de nadruk op het expliciteren en verantwoorden van de manier waarop de resultaten zijn ve rkregen: hoe (met behulp van welke aanpak, methodologie) en waar heeft het onderzoek precies plaatsgevonden, wat is de precieze vindplaats van ander gebruikt materiaal, zijn daarom belangrijke vragen.
De kwaliteitsbepaling van teleologische beweringen is principieel lastiger omdat ze immers een ontoetsbare vooronderstelling bevatten: de aangenomen rationaliteit. Dat wil niet zeggen dat ze niet nuttig zijn: ze dienen als ordenend kader om de werkelijkheid te begrijpen, meestal vanuit de gedacht van de subjectieve rationaliteit van de betrokken actoren.
Het is bij praktijkonderzoek echter wel van belang om teleologische beweringen van causale te onderscheiden om-dat teleologische beweringen niet precies dezelfde eisen behoeven te doen als causale.
Ad 3. Analytische beweringen
Dit zijn beweringen waarvan de waarheid via regels van de logica kan worden bewezen. Volstaan wordt met de eis dat argumentatie logisch moet zijn. Als X uit Y volgt is díe bewijsbaarheid van belang. Niet de vraag of Y juist is.
Sommige empirische beweringen (beweringen die pretenderen iets over de werkelijkheid te zeggen) blijken bij nader inzien analytisch. Men spreekt dan over tautologie (met andere woorden hetzelfde zeggend).
De relevantievraag is hier niet van belang omdat het hier slechts gaat over de kwaliteit van de argumentatie en niet over de kwaliteit van de input en evenmin om de relevantie van de output.
Analytische beweringen moeten logisch kloppen.
Ad 4. Normatieve beweringen
Dit zijn beweringen over hoe iets behoort te zijn, over hoe men het wil hebben. Normatieve beweringen zijn niet waar of onwaar. Normen betreffende bijvoorbeeld kwaliteit omschrijven waaraan de producten moeten voldoen. Die uitspraken zijn dus normatief. Altijd als men zegt dat er iets moet gebeuren beroept men zich uiteindelijk ook op normen.
Relevantie is aanwezig als ze deel uitmaakt van of aansluit bij een normenstelsel in de betreffende managementsituatie. Relevantie vraagt ook om operationaliseerbaarheid: de mogelijkheid de bewering voldoende te concretiseren om aanknopingspunten te bieden voor handelen in de specifieke situatie.
Wat de deugdelijkheid betreft formuleren we als eisen consistentie en precisie. Uitspraken over oordelen die bepaalde mensen (of groepen van mensen) hebben zijn gewonen empirische uitspraken. Ze claimen immers betrekking te hebben op de werkelijkheid in dit geval op de normatieve opvattingen van mensen ergens over. Normatieve uitspraken kunnen nimmer uitsluitend op zulk een empirische uitspraak berusten. De opvatting dat iets behoort te zijn (of niet) omdat (veel,heel veel, alle) mensen dat vinden is op zichzelf een normatieve uitspraak die niet met empirische onderzoek kan worden bevestigd. Een specifiek geval zijn methodologische regels. Toch doet onderbouwing ook een beroep op empirische gegevens.
Tenslotte is er bij management nogal eens behoefte aan richtlijnen om problemen aan te pakken: methodologische hulp. Deze omvatten meestal impliciet een empirische claim: als je zo te werk gaat zal je bepaalde resultaten bereiken. Maar daarbij omvatten ze ook een normatieve component: dat het bereiken van die resultaten gewenst is. En dat is ook zo als doe normatieve component ten onrechte impliciet blijft.
Ad 5. Mengvormen
Dan zal blijken dat beweringen die samengesteld zijn veelal mengvormen zijn tussen definitief, empirische beweringen, analytische beweringen en normatieve uitspraken. Een voorbeeld van een gemengde bewering is: om de winst te toen toenemen moeten we de kwaliteit van onze producten drastisch verhogen.
- Deze uitspraak heeft definitie- aspecten (wat verstaan we onder winst,kwaliteit,..)
- De uitspraak herbergt ook een empirische bewering: als je kwaliteit drastisch verhoogt zal de winst toenemen.
- De uitspraak heeft ook een normatieve component: de winst moet omhoog.
Aanbevelingen
Resultaten van praktijkonderzoek worden nogal eens weergegeven in termen van conclusies en aanbevelingen: beweringen (op grond van het onderzoek) over aspecten van wat er aan de hand is en over wat verstandig is om te doen (of na te laten).
Sommige conclusies zijn een mengvorm tussen een empirische en een normatieve bewering. Aanbevelingen zijn (hoewel dat soms impliciet blijft) altijd gebaseerd op een normatieve component van de volgende structuur: als je A wilt bereiken moet je (is het verstandig om, raden wij aan…) maatregel B treffen. Deze laatste vorm noemt men praxeologische beweringen indien ze algemener zijn geformuleerd. Uit praxeologische beweringen kunnen concrete particuliere aanbevelingen worden afgeleid.
Tenslotte zijn aanbevelingen ook vaak methodologische aanbevelingen: aanbevelingen voor of richtlijnen over hoe te werk te gaan. Aanbevelingen hebben nogal eens het karakter van een ontwerp: de beschrijving van een systeem dat bij realisatie volgens de vereisten zal werken.
3.1.2. Uitvijlen van kwaliteit van stelsels beweringen: een samenvatting
- Wat staat er precies?
Stelsel van uitspraken moeten in onderdelen en hun samenhang worden ontleed. De eerste stap is altijd de bewering in delen uiteen te rafelen en goed na te gaan wat er precies staat; welke verschillende interpretaties mogelijk zijn. Het volgende gaat er van uit dat er een bewering is met een onderbouwing zodat we eerst naar de eigenschappen van de bewering zelf kijken en dan naar die van de onderbouwing. - Wat is het type van de bewering zelf?
Dit moet je vaststellen omdat de kwaliteitscriteria verschillen per type.- Bruikbaarheid?
Bruikbaarheid omvat twee onderdelen: relevantie en deugdelijkheid. - Relevantie?
Bepalen van de relevantie gebeurt door nagaan of er een (minstens aannemelijk) verband bestaat tussen concrete management- of beleidsproblematiek en de geproduceerde kennis. - Deugdelijkheid?
Voor verschillende typen gelden verschillende deugdelijkheidseisen:- Voor definities:
Voor empirische definities gelden de eisen: validiteit, consistentie, precisie en operationaliseerbaarheid. Forme-le definities moeten consistent en precies zijn. De conceptuele definitie als kijkinstrument vergt op globaal niveau de eisen van empirische definities maar aan precisie wordt niet zo zwaar getild. - Voor empirische beweringen:
Hier gaat het om juistheid (toetsbaarheid, precisie, graad van bevestiging) en informativiteit (hoeveel zegt de bewering eigenlijk) - Analytische beweringen:
Klop de redenering? Is er een speld tussen te krijgen? Verloopt de redenering volgens de regels van de logica? - Normatieve uitspraken:
Consistentie en precisie. - Doelmatigheid
Hier gaat het om eventuele overbodigheid, helderheid, eenvoud en dergelijke.
- Voor definities:
- Bruikbaarheid?
- Hoe is het gesteld met de onderbouwing?
De onderbouwing bestaat altijd uit een verwijzing naar andere beweringen al dan niet afkomstig uit onderzoek. De kwaliteit van de onderbouwing bestaat dan ook uit de kwaliteit van de bewering waarnaar wordt verwezen en de redenering tussen die de twee verbindt.
De beoordeling daarvan komt neer op de bij dat type aangegeven vraag in hoeverre de redenering deugdelijk is of, huiselijke gezegd, 'klopt'.
3.2 Theorieën en concepten
In voorgaande § is de nadruk gelegd op de elementaire vorm van kennisopslag: kennis in de vorm van (enkelvoudige) uitspraken. Een theorie is een ingewikkelder maar ook krachtiger vorm van algemene kennisopslag.Een theorie is een stelsel samenhangende toetsbare algemene uitspraken
Inductie en deductie
Een cruciaal probleem bij theorieën, die immers een algemene geldigheid hebben (ze overstijgen per definitie het individuele geval) en abstract zijn (de begrippen zijn theoretisch; dus niet direct waarneembaar), is de vraag wat de relatie tussen die algemene uitspraken en de werkelijkheid waarop ze betrekking hebben.
Een belangrijk probleem bij de verhouding tussen theorie en empirie is dat van inductie en deductie.
Onder inductiewordt verstaan het afleiden van algemene beweringen (empirische generalisaties, empirische wet) uit een (uiteraard eindig) aantal particuliere empirische uitspraken (waarnemingen, feiten).
Met inductie wordt overigens nog steeds bedoeld de weg aan te duiden van de bijzondere feiten naar de algemene theorie.
De omgekeerde weg: het afleiden van specifieke uitspraken uit het algemene heet deductie.
Ook weerlegging is relatief: de waarnemingsuitspraak waarmee de theorie wordt weerlegd (het tegenvoorbeeld) is zelf ook weer een theorie afhankelijk: alle waarneming is theorie- geladen. Men spreekt hier dan ook van conditionele weerlegging.
Inductie en deductie maken deel uit van de zogenaamde empirische cyclus.
Gebruik van theorie bij praktijkonderzoek
In het algemeen is de onmiddellijke praktische relevantie van theoretische kennisproducten laag. Die hebben immers betrekking op het algemene. Relevantie ontstaat als er een duidelijke verbinding tot stand komt met een concreet besturingsprobleem in de praktijk. Dat kan bijvoorbeeld doordat er met behulp van die theorie beweringen en/ of modellen worden geproduceerd die een dergelijke verbinding wel hebben: het algemene wordt uniek gemaakt.
Relevantie ontstaat ook als betrokken managers of beleidsmakers door kennisneming van de theorie beter in staat zijn hun werk te doen. De verbinding heeft dan een wat algemener karakter: de theorie draagt bij tot hun persoonlijke bruikbare kennisbestand dat door leerprocessen onder meer op basis van ervaring tot stand komt.
We zullen dat conceptualiseren, het ontwikkelen van een valide conceptuele definitie, noemen. Theorie vormt de basis voor operationalisatie en dus voor alle onderzoek in de praktijk. Theorie is de basis voor specifieke modelvorming. Theorie helpt ook bij begrijpen: theorie is immers ook een kijkinstrument. Dan kunnen ze het probleemoplossend vermogen van een manager verhogen doordat ze zijn inzicht doen verhogen.
Het is op dit punt goed te wijzen op de rol van metaforen in de bedrijfskunde. Metaforen zijn niet in de eerste plaats toetsbare theorieën. Een metafoor is een specifieke wijze van zien en denken over een empirische werkelijkheid (het is een bril). Je kunt ook zeggen dat een metafoor de aandacht richt op het betreffende aspect. Theorieën hebben dus ook een metaforisch karakter omdat ze betrekking hebben tot die werkelijkheid als bril fungeren.
Een verwant maar nog breder begrip is het paradigma (Kuhn). Als een vakgebied wordt gekenmerkt door een ge-heel van methoden en theorieën (dus kennisproducten) kun je kijken naar de centrale definiërende denkbeelden daarvan.
Naast relevantie is deugdelijkheid van belang. Daarin komen de klassieke criteria voor wetenschappelijke kennis naar voren zoals toetsbaarheid en consistentie. De kwaliteitscriteria voor beweringen gelden uiteraard ook voor theorieën. Doelmatigheid betekent dat je van geval tot geval moet kijken hoe de baten zich met de kosten verhouden.
3.3 Modellen in soorten
Modellen zijn altijd afbeeldingen (voorstellingen) van systemen of klassen van systemen en zijn daarmee ook zelf systemen.Een model is een systeem dat lijkt op (de relevantie aspecten omvat van) een ander systeem (of klasse van systemen) dat je wilt bestuderen, besturen of ontwerpen.
Om modellen te maken moeten beslissingen worden genomen: modelleringsbeslissingen die onder meer het doel van het model vastleggen en afbakenen van het systeem waarop het model betrekking heeft.
Het nuttigheidskarakter komt tot uiting in de beslissing over het gebruiksdoel van het model.
Ook voor modellen moet worden aangegeven waarvoor ze gelden: op welke aspecten van de werkelijkheid ze betrekking, wat is het geldigheidsbereik.
De rol van modellen bij praktijkonderzoek
Modellen zijn systemen ter bestudering, besturing of ontwerp van andere systemen. Ze passen heel goed bij het pragmatische karakter van praktijkonderzoek omdat modellen in mindere mate dan theorieën de pretentie hebben van algemene geldigheid maar hun waarde ontlenen aan bruikbaarheid in een specifieke situatie (veel modellen hebben het karakter van 'wegwerpartikelen').
Voor modellen die slaan op een klasse van gevallen moet het geldigheidsbereik worden aangegeven. De formulering van dat geldigheidsbereik heeft soms een specifieke vorm: In zoverre bepaalde modellen het karakter hebben van gereedschap moet, precies zoals bij 'echt' gereedschap worden aangegeven wie in welke situatie op welke manier met welk doel dat gereedschap kan gebruiken.
Van Aken onderscheidt bij de kennistoepassing door professionals twee categorieën modellen: beschrijvingsmodellen (representeren een deel vd empirische werkelijkheid) en ontwerpmodellen (beschrijven wijzen waarop men bedrijven of bedrijfsprocessen kan inrichten of besturen).
Soorten modellen
In principe zijn er vier soorten modellen te onderscheiden door te bedenken dat er abstracte en concrete systemen zijn.
- Abstracte modellen van abstracte systemen
- Abstracte modellen van concrete systemen
- Concrete modellen van abstracte systemen
- Concrete modellen van concrete systemen
Abstracte modellen van concrete systemen hebben met de werkelijkheid te maken.
De hoofdvormen van abstracte modellen van concrete systemen zijn: empirische modellen (Van Aken, noemt dit beschrijvingsmodel) en conceptuele modellen. Over een empirisch model spreekt men als van een concreet systeem (dan wel een klassen van een systeem) een model is gemaakt dat de aspecten van het gedrag waarin men geïnteresseerd is voorspelt of verklaart. Conceptuele modellen hebben eveneens een relatie met de empirische werkelijkheid in een concreet geval maar geven veeleer een globale manier van kijken weer.
Het conceptuele model in een onderzoek geeft de globale kijk weer die aan het onderzoek ten grondslag ligt. Het model heeft een pragmatische karakter, het vervult een (belangrijke) rol bij onderzoek ten behoeven van een concreet managementprobleem en pretendeert niet meer. De conceptuele kern van een theorie wordt ook wel paradigma genoemd: het is de fundamentele manier van kijken die kenmerkend is voor die theorie.
Kwaliteit van modellen omvat precies dezelfde componenten als bij andere kennisproducten: relevantie en deugdelijkheid. Ook doelmatigheid hoort daarbij. Relevantie en deugdelijkheid zijn bij modellen te bepalen door uit te gaan van het gebruiksdoel.
Abstracte modellen van concrete toekomstige systemen spelen vooral een rol bij ontwerpen en besturen.
Onder ontwerp verstaan we: een model van een toekomstig systeem dat in de betreffende toekomstige omgeving het verlangde gedrag vertoont. Ook voor ontwerpen gelden de vereisten relevantie en deugdelijkheid. Relevantie omvat hier realiseerbaarheid (maakbaarheid) en aansluiting bij de managementproblematiek waarbij het ontwerp moet helpen. Nadere invulling van het begrip deugdelijkheid is niet zo moeilijk als je bedenkt dat een goed ontwerp een toekomstig systeem beschrijft en is vergezeld van een bewering van de vorm: als je dit systeem realiseert dat zal het zo en zo functioneren.
Kwaliteitscriteria voor ontwerpen zijn te herleiden tot de simpele formule: werkt het systeem zoals beloofd onder de gespecificeerde condities en bezien naar de gestelde eisen. Waar bij theorieën dan wordt gesproken over juistheid in verband met een gespecificeerd geldigheidsbereik spreekt men bij modellen over validiteit (geldigheid).
Onder ontwerpmodellen verstaan we in lijn met van Aken: beschrijving van wijzen waarop men bedrijven of bedrijfsprocessen kan inrichten of besturen. Ontwerpmodellen voor besturing kunnen ook worden aangeduid als methoden. Methode betekent dan een voorschrift voor aanpak.
Instrumenten en methoden zijn beide hulpmiddelen bij de bedrijfsvoering en/ of bij onderzoek. Instrumenten en methoden zijn ook modellen.
Concrete modellen van concrete systemen
Concrete modellen van concrete systemen komen zeer veel voor maar meestal impliciet. We noemen twee hoofdvormen: analogieën en prototypes.
Analogieën zijn een krachtige maar ook een gevaarlijke manier om kennis in ons...
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.

