De levensloop van de mens : inleiding in de ontwikkelingspsychologie
Craeynest, Pol
Geplaatst op Donderdag 09 januari 2003
1. ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE.
1.1. Begripsomschrijving.
1.1.1. - 1.1.2. Genetische of ontwikkelingspsychologie?- Het zijn synoniemen: genese = ontwikkeling = wording = ontstaan
- we gebruiken beide, als we maar goed realiseren, dat ontwikkeling:
- niet alleen evolutie, voortgang, opgang, opbouw,.... maar ook in-volutie, teruggang, neergang, ... is
- zich niet beperkt tot de adolescentie: er is ook ontw na de adolescentie en in de volwassenheid
- niet enkel een rijpingsproces is (=genetisch / biologisch gestuurd proces)
- ontw wordt ook bepaald door milieu en zelfbepaling
- Recente term: “levenslooppsychologie” bestudeert:
- de wetmatigheden in de veranderingen in het gedrag die zich in de loop van het leven voordoen
- de ontw van het gedrag in functie van de leeftijd
- de gedragsveranderingen in de menselijke levensloop
1.2. Beperkte historiek.
Ontw psych.: een ver verleden, maar een vrij korte geschiedenis.1.2.2. Van voorwetenschappelijke ontw psych (een ver verleden).
- dagelijks contact leidt tot ... ontdekken van wetmatigheden in de ontw. ? neerslag in spreuken, gezegden, spreekwoorden
- Filosofie (tot eind18de eeuw)
- wezen: typische kenmerken van fasen (bv.: Cicero)
- fundamentele vraag: aanleg of milieu (twistappel)
geen wetenschappelijke psych want speculatief en deductiefAANLEGTHEORIE MILIEUTHEORIE nativisten empiristen nature problematiek nurture problematiek J.J. Rouseau J. Lock (tabula rasa) (J. Piaget) <(Rus leerpscych.: Vygotsky en Galperinn/td> - Babybiografieën: omgang van voorwetenschap naar wetenschap
- 19 de eeuw: basis van empirische beschrijvende ontw psych wordt gelegd
- zwakheden:
- zeer beperkt aantal kinderen (niet representatief)
- beperkt, onsystematisch en sterk
- gevolg: geen gefundeerde of algemeen geldende wetmatigheden
- Men gaat meer objectief en systematisch te werk. Drie ontwikkelingen leiden tot wetenschappelijke ontwikkelingspsych.
- proefsituaties (taken, opdrachten, vragen) (Piaget, A. Binet)
- grotere (representatieve) groepen
- specifieke methoden:
- longitudinaal onderzoek (1 groep nemen en die volgen gedurende een aantal jaar)
- transversaal = dwarsdoorsneeonderzoek (verschillende groepen nemen)
- Ontw psych ? levensloop
- kindertijd (geboorte - 12 j)
- adolescentie
- bejaarde (gerontologie)
- volwassenheid (stabiele, duurzame toestand)
1.3. Ontwikkelingsfasen.
- de prenatale fase: vanaf bevruchting tot aan de geboorte
- de babytijd: vanaf de geboorte tot 1 à 1,5 jaar
- de peuterfase: van 1 à 1,5 jaar tot 2,5 à 3 jaar
- de kleuterfase: van 2,5 à jaar tot + 6 jaar
- de lagere schooltijd: van 6 tot + 12 jaar
- de adolescentie: tussen 12 en 20 à 22 jaar
- de volwassenheid: een heel lange periode van + 20 tot + 60 jaar
- de bejaarde volwassenheid of ouderdom: vanaf + 60 jaar tot men sterft
1.4. Ontwikkelingsfactoren.
1.4.1. Situering vd vraagstelling.Fundamentele vraag: wat leidt / stuurt de ontwikkeling?
OF - OF? Of EN - EN?
1.4.2. Biologisch georiënteerde theorieën = aanlegtheorie.
- Rol van erfelijkheid / aanleg wordt gemaximaliseerd. Ontwikkeling =
- sterk biologisch gestuurd proces
- endogeen gestuurd fysiologisch proces
- rijpen / rijpingsproces
- Rol van milieu wordt geminimaliseerd
- enkel gunstige voorwaarden scheppen
- bepaalt niet de richting (beeld van de tuinier ? pedagogisch pessimisme)
- Betekenis / rol van rijpingsprocessen
- zeer belangrijk voor de sensomotorische ontw. (parallel)
- ook voor abstract denken, geweten,...
- Historiek
- tot WOII: aanlegtheorie
- wel: beschrijven - voorspellen
- niet: verklaren - controleren = bijsturen / beïnvloeden
- rond 1960: milieutheorie
- rond 1980: aanlegtheorie - interactietheorie
- tot WOII: aanlegtheorie
- Rol van milieu wordt gemaximaliseerd. Ontwikkeling =
- exogeen gestuurd proces
- leren / leerproces (= ervaringsproces)
- Drie argumenten PRO milieutheorieën:
- grote verschillen in menselijk gedrag (afh. Van cultuur)
- universele ontw verschijnselen bv.: koppigheidsfase, oedipuscomplex
- kinderen in extreme situaties bv.: l’enfant sauvage
- milieutheorieën leiden tot pedagogisch optimisme
- Watson: “Geef mij 12 kinderen en ik maak ervan wat je wil!”
- Veldexperiment (Turkije 1987)
- 1j: 244 kleuter: IQ= 82,5
- 2-3j: ½ kleuterschool - ¼ thuis, moeder training - ¼ thuis
- 4j: kleuterschoolkind: IQ = 94,2
- 4j: thuis training: IQ = 92,9
- 4j: Thuis: IQ = 83,1
- Extreem standpunt: er is geen ontw want alle veranderingen in gedrag ? leren en niet veranderen in leeftijd
- geen OF - Of, wel EN - EN: niet alleen aanleg of milieu, maar aanleg EN milieu
- 5 basisgegevens ivm de interactietheorie:
- op sensomotorisch gebied ? afh van fysiologische rijping
- oefening is zeer belangrijk (stimulatie) ? gevoelige of kritische periode ? geen oefening ? geen normale ontw. ? Nodig om gerijpte functie in concreet gedrag om te zetten
- zelfs na functionele ontw is oef noodzakelijk bv.: kind moet de kans krijgen om te lopen, anders lukt dat niet (wolvenkinderen)
- oef voor het bereiken vd gevoelige periode heft geen pos. Uitwerking en werkt tegengesteld.
- oef van primaire vaardigheden voor het bereiken vd gevoelige periode kan van belang zijn om van zodra de fysiologische rijping bereikt is, de functie makkelijker tot ontw te laten komen. Bv.: leren lezen of schrijven (symboolfunctie)
- vrije wil >< determinisme (? alles wordt veroorzaakt, alles is bepaald door factoren)
- pro en contra argumenten ivm vrije wil
- pro: hij kan vrij beslissingen nemen
contra: vrijheid is meer dan een illusie - pro: onverwachte sprongen (wendingen is het leven vd mens)
contra: de omgeving geeft die sprongen aan ? ooit deze factoren opsporen - pro: het individu kan zijn eigen toekomst sturen
contra: deze factoren zullen ooit gekend zijn
- pro: hij kan vrij beslissingen nemen
Betekenis is ontw. factoren: verklarende ontwikkeling
1.5. De ontw. aspecten.
- Welke?
- psychomotorische ontw
- cognitieve ontw
- sociale ontw
- dynamisch en affectieve ontw
- betekenis van ontw aspecten: beschrijvende ontw.
1.6. De ordening.
- van fasen naar aspecten
= per fase alle aspecten beschrijven - van aspecten naar fasen
= per aspect alle fasen beschrijven
1.7. De ontwikkelingswetten.
- ontw wordt geleid door
- innerlijke kracht die tot de verwezenlijking van de gegeven mogelijkheden drijft maw hij wil bv. alleen eten
- de fundamentele streving naar individuele handhaving en ontplooiing
- ontw verloopt in een vaste omkeerbare volgorde:
- cefalo - caudale wet bv.: baby krijgt eerst controle over nekspieren, rugspieren, ... en dan pas de beentjes
- proximo-distale wet: vanuit het centrum naar de uiteinden bv.: schoudergewricht ? elleboog ? pols ? vingers
- grove en algemene motoriek ? verfijnde en gelocaliseerde motoriek maw
- massale ? specifieke beweging
- onhandige en nauwkeurige ? handig en nauwkeurig
- Elke leeftijd biedt unieke kansen ? gevoelige periode (bv.: zindelijkheid)
- de ontw is discontinue
- ontw is asynchroom ( verschillende ontw aspecten samen): als er een functie tot ontw komt dan komt de andere functie op de achtergrond
- ontw is inter-individueel verschillend: bv.: leren lopen is verschillend bij elke baby
- psychische ontw is nauw verbonden met lichamelijke ontw
1.8. Soorten levensloop psychologie.
- algemene levensloop psychologie: algemene ontw patronen (wat geldt voor iedereen)
- differentiële levensloop psychologie: specifieke ontw patronen
- interventionistische levensloop psychologie: optimaliseren, ontw bijsturen
- emancipatorische levensloop psychologie: ontw = proces van toenemende zelfbepaling
2. DE PRENATALE FASE.
2.1. Biologische ontwikkeling van de vrucht.
2.1.1. Het germinaal stadium (0 - 2 weken).- bevruchte eicel = zygote
- als innesteling in baarmoeder voltooid is ? embryonaal stadium
- 2 mm ? 30 mm
- fylogenese (ontw vd soort) herhaalt zich in ontogenese (ontw vh individu)
- fase van organogese
- op einde duidelijk als mens herkenbaar
- als botvorming begint en organogese gedaan is ? foetus
2.2. Psychisch functioneren.
- ontw psychisch leven in moederschoot
- wanneer is er sprake van psychisch leven?
- als er waarnemingen zijn
- als er belevingen zijn of bewustzijn is bij die waarnemingen
- Spontane bewegingen van ledematen - hoofd - lichaam
- Externe uitgelokte reflexen
2.2.2. Gewaarwordingen (waarnemingen).
- Reageert op tastprikkels
- Reageert voelbaar op plots fel geluid, neemt dus waar? Ja, maar mogelijke opwerpingen zijn:
- beweging kan door schrikreactie van moeder zijn:
- haar eigen motorische beweging doet vrucht bewegen
- haar stresshormoon:
- geeft baarmoedercontracties waardoor ....
- bereikt het kind waardoor beweging ontstaat
- bereikt het externe geluid de baby wel?
- geluid wordt overstemd
- geluid wordt afgezwakt
- beweging kan door schrikreactie van moeder zijn:
- Wat wel vast staat:
- gehoor: voldoende fysisch ontwikkeld op einde maar wat hoort een kind eigenlijk
- gezicht: 4 - 5 m: afwenden van lichtbron
7 m: pupilreactie
8 m: lichtprikkel ? verandering EEG patroon
- beperkte psychische activiteit op het einde van de zwangerschap
- geen echte waarnemingen (= zinvolle structuren)
- wel gewaarwordingen (pré - sensaties)
- geen bewustzijn: veronderstelt een volgorde
waarnemingen: actief verwerken van prikkels
2.3. Prenatale omgevingsinvloeden.
2.3.1. Fysische omgevingsfactoren.1ste 3 maanden: groot gevaar voor schadelijke invloeden
: teratogene factoren/ invloeden:
- infecties: rode hond - toxomoplasme - syfilis - aids
- drugs: roken - alcohol - drugs - medicijnen
- stralingen: röntgenstralen - radioactieve stralen
- verkeerde voeding
- natuurlijke stoffen in het lichaam
- resus incompatibiliteit
- te veel stresshormoon
- te veel geslachtshormoon
- leeftijd van de moeder
- hoe ouder: mongolisme
- te jong (- 20j)
Volksgeloof: wat moeder beleefd, wordt rechtstreeks op het kind overgedragen, maar er is geen enkele zenuwverbinding tussen moeder en kind.
- Intense emotionele stress: cortisol ? verhoogde opwindingstoestand
- attitudes tegenover kind:
- tijdelijk afwijzende houding: geen invloed
- blijvende intense afwijzende houding
- cortisol (stresshormoon)
- verhoogd fysisch risico als moeder
- Negatieve en onbewuste verwachtingspatronen (die na de geboorte de ontw sterk kunnen beïnvloeden.
de onbewuste verwachtingen zijn gevolg van eigen onopgeloste conflicten of niet verwerkte frustraties- kind als substituut voor huwelijkspartner
- kind als omstreden bondgenoot
- kind als substituut voor een onderfiguur ? omgang met het kind wordt bepaald door vroegere troebele relatie met ouder
- kind als substituut voor het ideale zelf ? het kind moet ouderlijke dromen waarmaken
- kind als afbeelding van het eigen zelf ?kind wordt gebruikt om zichzelf te ontdekken
- kind als substituut voor de negatieve identiteit ? ouder projecteert de eigen negatieve kenmerken die de ouder dan bestrijdt
- zware belasting voor het kind
- het kind kan zichzelf niet zijn
2.4. De geboorte.
2.4.1. Het geboorteproces.- het tijdstip van de geboorte:
- 280 dagen na begin vd laatste menstruatie
- 266 dagen na bevruchting (9 m)
- de eigenlijke geboorte:
- voortekenen: voorweeën - breken vruchtwater - verlies bloederig slijm
- 3 fasen in geboorteproces:
- de ontsluitings- of arbeidsfase: ontsluitingsweeën
- uitdrijvings- of verlossingsfase: persweeën + afbinden en afknippen van navelstreng
- nageboorte (placenta - vruchtzak)
- Nazorg van moeder en kind.
- kind: gewassen - gewogen - gemeten - medisch onderzoek - uitzicht van pasgeboorne
- moeder (postnatale depressie).
- Ingrijpende verandering: intra - uterien milieu ? extra - uterien milieu. Verschillen:
- kind moet zelf ademhalen
- eten opnemen, verwerken, afscheiden
- vochtig milieu naar droog milieu
- lichtverschillen
- in baarmoeder: warm ? temperatuurverschillen
- eigen lichaamstemp. Op peil houden
- Wat beleeft het kind?
Rank (1923): speculatieve gissing:
Geboortetrauma: plots gescheiden worden van moeder
oerangst = eerste angst = scheidingsangst
3. DE BABYTIJD (ZUIGELING).
- geboorte 1 - 1,5 j
- prenatale periode = zeer belangrijk voor fysiologische ontw
- 1ste jaar = de psychologische menswording o.a. waarnemen, grijpen, gaan, de sociale gerichtheid, beginnende taal ontw
- zeer hulpeloos wezen: volledig afhankelijk van andere mensen
- instinctarm dier (= zeer hulpeloos) naar een leerdier
- geboorte = overgang van fysiologische naar psychosociale moederschoot
3.1. Uitrusting van de pasgeborene.
Beschikt over een aantal aanpassingsmechanismen en zeer beperkte controlemechanismen.3.1.1. Motorisch reageren.
- 2/3 van de tijd = slapen (1/2 daarvan = REM slaap)
- kan zich in vijf toestanden bevinden: diepe slaap - REM slaap - passieve waaktoestand - actieve waaktoestand - huilen
- beschikt over aangeboren aanpassingsmechanismen:
- houdingsreacties: kan positie van armen en benen aanpassen aan de houding waarin het neergelegd wordt
- massale bewegingen: ongecoördineerde bewegingen
- reflexen:
- blijvende reflexen: slikken, hoesten, ...
- voorbijgaande reflexen (archaïsche (= oude) reflexen): o.a.:
- snuffel- of zoekreflexen (rooting reflex)
- zuigreflex
- grijpreflex
- babinsky-reflex (uitwaaieren van tenen)
- Moro reflex (omarmingsreflex)
- asymmetrische tonische halsreflex
- kruipreflex
- stap-of loopreflex
- primitieve steunreflex
Reacties
| ||||||||||||||||||||||||

