SPW : Begeleiden 309
Geplaatst op Maandag 18 maart 2002
Begeleiden 309
Uitgeverij Angerstein
1 Begeleidingsbehoefte nader bekeken
Leerdoelen, je kunt:
- beschrijven wat behoeften zijn en hoe ze ontstaan
- begeleidingskenmerken benoemen voor de kinderopvang, het basisonderwijs en de begeleiding van verstandelijk gehandicapten
De verhouding tussen draagkracht en draaglast:
Het evenwicht wat een cliënt kan en wat eigenlijk zou moeten
Begeleiden heeft zich ontwikkeld vanuit:
- het perspectief van de gezondheidszorg
- het perspectief van de welzijnszorg
Samenwerking bij begeleiding tussen zorg en welzijn blijkt uit:
- beleidsmatige aanpak overheid
- eindtermen beroepsopleiding
- het wegvallen van de ‘muren’
Integrale beleidsgebieden:
Meerdere afdelingen bij elkaar zoals het directoraat zorg kent de beleidsgebieden verpleging en verzorging, ouderenzorg en gehandicapten
Intramuraal:
Binnen een instelling
Extramuraal:
Buiten de instelling
Semi-muraal:
Houdt het tussen binnen en buiten de muren
Transmurale zorg:
Over de muren van de instelling heen
Begrippen bij begeleiding:
- behandelen: medische zorg (arts), paramedische behandeling (fysiotherapie, ergotherapie en logopedie)
- verzorgen: van ADL-activiteiten, de dagelijkse verzorging van cliënten of ondersteuning daarbij
- zorg: verzorging, begeleiding, medische begeleiding, enz.
- hulpverlening: meestal gericht op geestelijke en sociale hulp
- begeleiden: het geheel van activiteiten die je beroepsmatig uitvoert om een cliënt te helpen bij de oplossing van zijn problemen
Wat is begeleiden?:
Begeleiden is het geheel van activiteiten die je beroepsmatig uitvoert om een cliënt te helpen bij de oplossing van zijn probleem
Begeleiden is door creativiteit, oplossingen kunnen aanbieden/ bedenken die aansluiten bij de belevingswereld van de cliënt. Daarbij is het noodzakelijk dat deze creatieve oplossingen haalbaar en acceptabel zijn voor:
- de cliënt
- de groep
- jezelf als SPW’er, mens
Leiden:
Een cliënt in de richting sturen, door te zeggen wat hij moet doen
Procesmatig denken:
(be)redeneren
Omgevingskenmerken:
De context waarin de begeleiding zich afspeelt
Twee leefmilieus:
De eerste, waarin het kind zich thuishoort en opgevoed wordt
De tweede, de kinderopvang en later de school
Behoeften ontstaan vanuit:
- je binnenste: vanuit je lichaam of geestelijke ‘binnenste’
- de omgeving: reclame, een lekker luchtje vanuit de bakkerij
Drie soorten innerlijke behoeften:
- basisbehoefte die ieder mens heeft
- ontwikkelingsbehoeften
- situationele behoeften: zijn tijdelijk, behoeften zijn gekoppelt aan een specifieke situatie
De piramide van Maslow:
Niveau 1
Fysiologische behoeften: primaire levensbehoeften
Niveau 2
Behoefte aan zekerheid: structuur, veiligheid, vertrouwen, duidelijkheid, en een ‘eigen plek’ hebben
Niveau 3
Sociale behoeften: aanhankelijkheid, liefde, geen eenzaamheid, affectie, ‘ergens bij horen’
Niveau 4
Behoefte aan respect: respect voor anderen en jezelf, succes, kennis, erkenning en status
Niveau 5
Zelfverwerkelijking: wijsheid, spontaniteit, ‘goed in je vel zitten
Een mens zal in behoeften op een lager niveau moeten voorzien voordat hij toekomt aan behoeften van een hoger niveau!
Aspecten van ontwikkeling:
- motorische ontwikkeling: het bewegen van je lichaam en het coördineren ervan
- verstandelijke ontwikkeling: cognitieve ontwikkeling, verstandelijk functioneren
- sociaal-emotionele ontwikkeling: ontwikkeling in relatie tot zichzelf, in samenhang met de omgeving
Leeftijd Motorische Verstandelijk Sociaal-emotioneel
0-1 jaar
baby/ zuigeling Reageert met reflex leert rollen, zitten staan Waarnemen voorwerpen volgen verband prikkel en eigen handeling Herkennen verzorgers herkennen andere baby’s/ kinderen
1-4 jaar
dreumes/ peuter Lopen, rennen, klimmen
ontwikkelen spieren, kracht
fijne motoriek ontwikkelt zich Combineren van feiten en dingen
leert oplossingen bedenken
leert onderscheid tussen mensen
leert symbolen (bijv. taal) toekennen Nog erg op zichzelf gericht
Ontwikkelt besef eigen ‘ik’
Ontstaan kindervriendschap
Gewetensvorming begint
Angsten door te sterke fantasie
4-6 jaar
kleuter Evenwicht,hinkelen
Meer fijne motoriek Verdere ontwikkeling na pubertijd
Leert het geleerde toe te passen
Nog wel meer fantasie dan werkelijkheid
Veel fantasie- en rollenspel Sterke kindervriendschappen
Heel sociaal gedrag
Baas spelen
Indruk op anderen willen maken
6-12 jaar
schoolkind Meer bewegingscoördinatie Ontwikkeling van intuïtief handelen naar procesmatig denken
In de ander verplaatsen
Kunnen verklaren en uitleggen
Meer werkelijkheid dan fantasie Vaker botsing met leeftijdsgenoten
Afname fantasie- en rollenspel
Groot verschil jongens-meisjes
Omgang met volwassenen
Leert de ‘buitenwereld’ kennen
12-16 jaar
puber Motoriek ontwikkelt zich Volledig abstract kunnen denken
Grote, complexere verbanden zien Sterke vriendschappen
‘volwassen’gedrag vertonen
wie ben ik wat wil ik?
Drang naar zelfstandigheid haaks daarop onzekerheid behoefte aan privacy
16-20 jaar
adolescent Verdere ontwikkeling
Verstandelijk vermogen Toepassen van het geleerde
Intieme relaties aangaan begin inrichten van het leven
Ontwikkelingstempo van kinderen:
Kinderen hebben een veilige, warme, liefdevolle omgeving nodig waarin ze positieve, stimulerende aandacht krijgen
Activiteiten koppelen aan behoeften:
- leidt elke behoefte tot een begeleidingsbehoefte?
- wie bepaalt dat?
- hoe bepaal je dat?
- welke valkuilen kom je tegen?
De cliënt bepaalt altijd zelf de behoefte!
Hoe bepaal je welke behoefte een cliënt heeft:
- je eigen kennis van behoeftetheorieën als referentiekader
- intake- en andere gesprekken
- gerichte observaties
- overleg met de cliënt of diens verantwoordelijke en collega’s
Valkuilen bij het bepalen van activiteiten:
- verstoring van het evenwicht
- te veel accent op het probleem
- wat goed gaat, heeft onderhoud nodig
Begeleiding 309
2 Begeleiden bij ontwikkelingsgerichte activiteiten
Leerdoelen, je kunt:
- cliënten begeleiden bij ontwikkelingsgerichte activiteiten in drie werkvelden
In de leeftijd van 0 tot 4 jaar ligt het accent op de volgende basisbehoeften:
- niveau 1: fysiologische behoeften
- niveau 2: behoefte aan zekerheid en veiligheid
- niveau 3: behoefte aan affectie, liefde, genegenheid
als de peuter ouder wordt, komt hij/ zij ook toe aan niveau 4 (leren, respect)
Specifieke begeleidingsbehoeften in de kinderopvang, zijn gericht op:
- ontwikkeling
- opvoeding
Opvoeden is:
Het begeleiden van kinderen bij hun lichamelijke, geestelijke en sociale ontwikkeling met als doel dat ze zo zelfstandig en zelfredzaam mogelijk kunnen functioneren in de maatschappij
Bij de activiteiten hanteren we de volgende indeling:
doelen
repertoire:
- middelen
- activiteiten
Doelen van activiteiten in de kinderopvang:
- het leren voorzien in eigen basisbehoeften
- het stimuleren van de motorische ontwikkeling
- het stimuleren van verstandelijke ontwikkeling
- het stimuleren van de sociaal-emotionele ontwikkeling
- het bieden van ontspanning
Middelen die je bij baby’s kunt gebruiken:
- rammelaar
- felgekleurde mobiles
- geluidjes/ muziek
- bijtring
- piepbeestjes
- liedjes (die je zingt)
- knuffel die de geur van het kind draagt
- ‘samen dansen’
- spelliedjes, zoals bijv. ‘hop paardje, hop’
- handjes vasthouden en in de handen klappen
- activity-center: als de baby ergens naar grijpt, grijp jij er ook naar
- verzorgende activiteiten, waarbij je een andere activiteit betrekt
Middelen die bij peuters kunt gebruiken:
- zand, emmer, schepje, vormen
- trek- en duwspeelgoed
- grote poppen
- knuffelbeesten
- puzzels
- scheuren plakken
- kleien met fymo
- kleuren en tekenen
- stoffen boekjes
- verhaaltjes (hoort graag vaak dezelfde)
- dierenverhalen
- zelf zingen
- hoekjes, zoals samen koken,zandtaartjes maken
- kringactiviteiten:, zoals kringdans op een liedje, bij oudere peuters bijv. zakdoekje leggen
- fantasie- en rollenspel, zoals hut bouwen van een tafel met een kleed erover
- individuele activiteiten: tekenen, waarbij je in de steek worden vertelt over de tekening
- buitenactiviteiten, zoals schommelen en buitenspelletjes
Activiteiten kinderopvang:
- individueel
- gericht op spel
- meer doelen
In de leeftijd van 4 tot 8 jaar ligt een begeleidingsaccent op de volgende basisbehoeften:
- niveau 1: fysiologische behoeften
- niveau 2: behoefte aan zekerheid en veiligheid
- niveau 3: behoefte aan affectie, liefde, genegenheid
- niveau 4: behoefte aan respect en erkenning
De specifieke begeleidingsbehoefte in het basisonderwijs zijn gericht op:
- ontwikkeling
- onderwijs
- vorming
Ontwikkeling:
4-6 jaar
kleuter Evenwicht,hinkelen
Meer fijne motoriek Verdere ontwikkeling na pubertijd
Leert het geleerde toe te passen
Nog wel meer fantasie dan werkelijkheid
Veel fantasie- en rollenspel Sterke kindervriendschappen
Heel sociaal gedrag
Baas spelen
Indruk op anderen willen maken
6-12 jaar
schoolkind Meer bewegingscoördinatie Ontwikkeling van intuïtief handelen naar procesmatig denken
In de ander verplaatsen
Kunnen verklaren en uitleggen
Meer werkelijkheid dan fantasie Vaker botsing met leeftijdsgenoten
Afname fantasie- en rollenspel
Groot verschil jongens-meisjes
Omgang met volwassenen
Leert de ‘buitenwereld’ kennen
De specifieke begeleidingsbehoeften in het basisonderwijs zijn gericht op:
- stimuleren van het voorzien in eigen basisbehoeften
- stimuleren van de motorische ontwikkeling
- stimuleren van de verstandelijke ontwikkeling
- stimuleren van de sociaal-emotionele ontwikkeling
- het bieden van ontspanning
Middelen die je bij kleuters kunt gebruiken:
- steppen, fietsjes, en andere zaken waarmee je je kunt verplaatsen
- tuingereedschap, zoals schepjes, kruiwagens
- hoepels, banden, touw
- stofjes en draad
- kleurmateriaal, zoals potloden, krijt en verf
- klei, riet, karton en dergelijke
- prentenboeken ( hierbij kun je het kind stimuleren om te vertellen wat er staat), voorleesboeken, zelfgemaakte boekjes ( voorlezen, waarna je een gesprek voert over een verhaaltje en stimuleert dat het kind informatie reproduceert)
- poppen en toebehorende, zoals poppenmeubeltjes
- puzzels en ontwikkelingsmateriaal, individueel met het kind waarbij je door gerichte vragen ondersteund en het werk niet in handen neemt
- eenvoudig constructiemateriaal
- groep- en bewegingsspelletjes, zoals ‘schipper mag ik overvaren’ of tikkertje
- groepsgesprekken voeren naar aanleiding van een actualiteit
Middelen die je bij kinderen van 7 tot 8 jaar kunt gebruiken:
- leesboek, voorleesboeken, kinderencyclopedie (voorlezen)
- in groep 3 nog een poppenhoek
- planten en dieren
- puzzels spelletjes die aansluiten bij de leerstof
- bordspelletjes, zoals ganzenborden of mens-erger-je-niet
- constructiemateriaal, zoals lego
- kringactiviteiten
- zingen met beweging of dans
Activiteiten basisonderwijs:
- individueel of groepjes
- gericht op spel en leerdoelen
- vaak meer doelen
De betekenis van ‘gehandicapt’:
Een vermogen om iets niet te kunnen doen
Differenties in verstandelijke handicaps:
- licht verstandelijk gehandicapt IQ 55 tot 90 – 7 tot 11 jaar
- matig verstandelijk gehandicapt IQ 35 tot 55 - 4 tot 7 jaar
- ernstig verstandelijk gehandicapt IQ max. 35 - 0 tot 4 jaar
Woonvormen voor verstandelijk gehandicapten:
- thuis
- in een instelling
- gezinsvervangend (te)huis GVT: woongroep voor circa tien matig tot licht gehandicapten
- kindergezinsvervangend (te)huis KDVT: voor kinderen die overdag naar speciale onderwijs gaan
- begeleid zelfstandig wonen BZW: voor licht gehandicapten met enkele uren begeleiding per week
- sociowoningen: woongroepen op of bij het terrein van de instelling
Ontwikkelingsgebieden bij verstandelijke gehandicapten:
- motorische ontwikkeling
- verstandelijke ontwikkeling
- sociaal-emotionele ontwikkeling
Overcompensatie:
Ze compenseren een gebrek op het ene gebied met een meer dan gemiddelde op een ander gebied
Specifieke begeleidingsbehoeften van verstandelijk gehandicapten gericht op leven:
- school
- werken: sociale werkvoorziening en het dagverblijf voor volwassenen (DVO)
- wonen
- zinvolle vrijtijdsbesteding
Bij wonen zijn je activiteiten gericht op onder andere:
- ondersteunen bij het creëren en instandhouden van een veilige omgeving
- stimuleren van zelf verzorging van die plek
- ondersteuning in het omgaan met de gemeenschappelijke ruimte
- advies geven waar de pupil om vraagt
Maatwerk:
Het aansluiten bij de individuele behoeften en mogelijkheden
Vrijetijdsbesteding in een instelling:
- zelfde middelen als bij de kinderopvang en het basisonderwijs
- wandelen met de groep
- winkelen op zaterdagmiddag
- kindertoneel (actief en passief)
- muziek (actief en passief)
- sport en spel
- dagtochtjes maken
- (korte) vakanties met een groep
Begeleiden 309
3 Van begeleidingsbehoefte naar werkplan
Leerdoelen, je kunt:
- informatie verzamelen over een cliënt
- de begeleidingsbehoefte in kaart brengen
- een werkplan maken van je begeleiding
- je begeleiding evalueren
Beschikken over de juiste informatie is een absolute voorwaarde voor:
- gerichte begeleiding
- die aansluit bij de wensen en behoeften van de cliënt
- en past bij de mogelijkheden van de cliënt en de instelling
Manieren om informatie te verzamelen:
- gesprekken (de cliënt zelf is diegene die je de meeste en de beste informatie kan geven over zijn wensen en behoeften)
- observatie
Gesprekken gericht op informatie-uitwisseling:
- oriënterend gesprek
- intakegesprek
- kennismakingsgesprek
Oriënterend gesprek:
- de gespreksonderwerpen liggen niet vast
- is afhankelijk van de informatie die de cliënt wil
Jouw rol hierin is:
- informatie verstrekken binnen jouw bevoegdheden
Onderwerpen van het intakegesprek:
- procedure uitleggen
- gegevens verzamelen
- organisatie, werkwijze, mogelijkheden uitleggen
- begeleidingsbehoefte inventariseren
- naar specifieke wensen vragen
- gelegenheid geven om vragen te stellen
- intake evalueren
- vervolgafspraken maken
Je rol in het intakegesprek:
- gesprek leiden
- formele, maar ongedwongen gesprekstijl hanteren
- informatie verzamelen: luisteren, vragen, doorvragen
- samenvatten
Doelen van een kennismakingsgesprek:
- elkaar leren kennen
- informatie geven (over dagindeling, werkwijze enz.)
- informatie verzamelen (nodig om behoefte en begeleiding op elkaar te kunnen afstemmen)
- vragen van de cliënt beantwoorden
Onderwerpen van het kennismakingsgesprek:
- doel van het gesprek uitleggen
- iets over jezelf vertellen: hoe je heet, wat je functie is, hoe lang je al werkt in de instelling enz.
- de cliënt vragen iets over zichzelf te vertellen
- aanvullende of ontbrekende gegevens verzamelen
- de dagindeling en de belangrijkste spelregels uitleggen
- voor zover het al mogelijk is, de cliënt informeren over de begeleiding
- gelegenheid geven om vragen te stellen
- de kennismaking evalueren
Jouw rol hierin is:
- je leidt het gesprek op een ongedwongen manier
- je observeert en verzamelt en verstrekt informatie
Speciale aandachtspunten:
- goed voorbereiden
- een beroepshouding hanteren
- een veilige sfeer creëren
Observatiemethoden:
- continue observatie: voortdurend en cliënt observeren
- intervalobservatie: observeren op wisselende tijdstippen met dezelfde doelen, technieken en hulpmiddelen
- contextuele observatie: de cliënt is in het middelpunt maar ook de omgeving, de context
Een methode zegt iets over wat je doet; een techniek zegt meer over hoe je het doet!
Observatietechnieken:
- tijdgericht: time- sampling
- gericht op gebeurtenissen: event-sampling
- externe en interne observatie
Participerend observeren:
Interne observatie waar diegene die observeert zelf actief is in de groep
Hulpmiddelen bij observeren:
- je zintuigen
- protocollen, formulieren, scorelijsten, testen
- spelmaterialen
- audio en video
de cliënt moet weten dat hij opgenomen wordt
de cliënt heeft het recht het opgenomen materiaal zelf te bekijken
het opgenomen materiaal mag zonder toestemming van de cliënt voor geen enkel ander doel gebruikt worden dan waarvoor het opgenomen is
het opgenomen materiaal mag niet langer bewaard worden dan strikt noodzakelijk is
- speciaal ingerichte ruimtes, deze tref je onder ander aan bij
(ortho)pedagogen
kinderpsychologen
kinderpsychologen
One-way-screen:
Een ruimte is opgedeeld in twee aparte ruimtes, die gescheiden wand. In de wand zit aan de kant van de geobserveerde(n) een raam dat eruitziet als een spiegel. De geobserveerde kan er dus niet door kijken. In de andere ruimte zit de observator. Die kan wel door het raam kijken.
Het voordel hiervan is dat de geobserveerde en de observator niet beïnvloed worden door elkaars fysieke aanwezigheid
Stappen bij observeren:
1. bepaal het doel
2. maak een observatieplan
3. kies een methode
4. kies een techniek
5. kies een hulpmiddel
6. informeer de cliënt
7. observeer
8. evalueer
Observatierapport:
Dit vormt een uitgangspunt om met elkaar en met de ouders te bespreken welke begeleidingsactiviteiten, van wie verbetering, in de situatie kunnen brengen
Interpreteren:
Een betekenis of waardeoordeel aangeven
Begeleidingsbehoefte in kaart brengen:
Informatie verzamelen Gesprek Oriënterend
Intake
Kennismaking
Observatie Doel
Plan
Methode
Techniek
Hulpmiddel
Observeren
Evalueren
Rapporteren
Reacties
Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.

