LoginnaamWachtwoord
Methoden en technieken
Baarda, D.B. & Goede, M.P.M. de
Geplaatst door thijzzz op Donderdag 11 oktober 2001


Hoofdstuk 2 – Doelstelling en Probleemstelling

Doelstelling

  • Belang en relevantie aangeven van de verzamelde en onderzochte informatie:
    >Waarom wil je iets weten?

Relevantie

  • Praktisch: maatschappelijk nut.
  • Theoretisch: wetenschappelijk nut.

Ethische Aanvaardbaarheid

Criteria:
  • Wetgeving privacy
  • Vrijwillige medewerking van respondenten
  • Juiste voorstelling van zaken geven aan respondenten
  • Anonieme verwerking gegevens
  • Eerlijke en objectieve wijze van uitvoeren van het onderzoek
  • Geen gegevens aan derden doorgeven
  • Houden aan eventuele gedragscode

Probleemstelling

  • Aangeven wat je precies wilt onderzoeken/welke gegevens je boven water wilt hebben:
    > Wat wil je precies weten?
Bij voorkeur:
  • Probleemstelling niet te open formuleren
  • Geen beleidsvragen opnemen in de probleemstelling
  • Geen normatieve vragen gebruiken

Onderzoeksvragen

  • Verdere verfijning van de probleemstelling.
  • Frequentievraagstelling (hoeveel/hoe vaak?)
  • Verschilvraagstelling (vinden mannen iets anders dan vrouwen?)
  • Samenhangvraagstelling (is er een relatie tussen geslacht en de beoordeling?)

Eigenschapsbegrippen

  • Kenmerken van een respondent: is variabel
  • Worden ook wel variabelen genoemd, maar dit kan beter pas gebeuren als de eigenschapsbegrippen in concreet waarneembare termen zijn vertaald.

Eenheidsbegrip

  • Eenheidsvorm van het onderzoek (bijvoorbeeld: lid van een bepaalde groep) :
    is niet variabel

Concept / Conceptueel Model

  • Concept = een begrip
  • Een verondersteld verband tussen begrippen (bv. geslacht en beoordeling) wordt in een conceptueel model grafisch weergegeven.
  • In dat model kun je pijlen tussen begrippen trekken: dat is een causaal model.
  • Verwacht je wel een samenhang, maar geen oorzaak-gevolg: dan alleen een lijn trekken.

Controlebegrippen

  • Een begrip dat andere begrippen/verbanden beïnvloedt. (In geoperationaliseerde vorm: controlevariabelen.)

Mediërende of Interveniërende  Begrippen

  • Een begrip dat tussen twee andere begrippen in staat en daardoor een verband tussen die twee aangeeft.
  • Als dit "derde begrip" het verband opheft tussen de andere twee, dan was er sprake van spurius of een vals verband.

Specificatie- of Interactiebegrippen

  • Een onderwerp dat door groepen met verschillende begrippen (bv. mannen en vrouwen) geheel anders wordt bekeken, kan verwarrend werken. Het is dan beter om van dat begrip een specificatie- of interactiebegrip te maken: daarmee maak je twee verschillende groepen die anders benaderd worden. (In geoperationaliseerde vorm: specificatie- of interactievariabelen.)

Uitvoerbaarheid

Criteria:
  • Tijd
  • Geld
  • Bereidheid/bereikbaarheid van respondenten/proefpersonen.

Hoofdstuk 3 – Informatie Zoeken

Informatie zoeken

Deskresearch: bestaande informatie onderzoeken. Soms levert dit al de gegevsn op die je nodig hebt.Verder levert dit een beeld op van:
  • Het onderzoeksterrein en relevante theorieën
  • Ideeën over opzet en uitvoering
  • Operationalisering en definitie van begrippen
  • Omvang steekproef

Informatiebronnen

  • Deskundigen en instituten (Nederlandse Onderzoek Databank, Titels van sociaal-wetenschappelijk onderzoek van SWIDOC, Pyterssens Almanak)
  • Tijdschriften (geven recente informatie)
    • Literatuurlijsten van recente artikelen
    • Zoeken met descriptorsin abstract-tijdschriften of CD-ROM's
    • Thesaurus: vermeld welke descriptors er bij een onderzoek zijn opgegeven (geven de inhoud aan) en wat die descriptors betekenen
  • Review-artikelen: geven een beeld van het onderzoeksgebied
  • Auteurs: in de SocialSciencesCitation Index kun je opzoeken welke auteurs in welke stukken worden aangehaald
  • Boeken en rapporten

Aandachtspunten

  • Hoeveel tijd heb je? (Tijdsplanning)
  • Welke beperkingen stel je jezelf?
    • Periode
    • Taal
    • Geografisch gebied
  • Literatuurlijst maken met daarin aangegeven wat het meest relevant was

Hoofdstuk 4 – Onderzoekstype

 

Onderzoekstypen

  • Toetsend (evaluatief) onderzoek: er wordt onderzocht of een bepaalde verklaring klopt. Soms is er een theorie waaruit hypothesen voorkomen, die vervolgens getoetst worden.
  • Beschrijvend (descriptief) onderzoek: beschrijven van het voorkomen van één of meerdere kenmerken binnen een groep.
  • Verkennend (explorerend)onderzoek: ontdekken van verbanden of verschillen.

Toetsend Onderzoek

Nagaan of van een theorie afgeleide hypothese(n) kloppen
Theorie

Hypothese

Voorspelling  (die wordt geverifieerd of gefalsificeerd)
  • Een theorie (algemeen of specifiek/ad-hoc) is een geheel
    • van proposities/beweringen over een deel van de werkelijkheid
    • dat een logische, niet onderling strijdige samenhang heeft
    • dat zo is geformuleerd dat er minstens één empirisch toetsbare hypothese uit af te leiden is
    • inclusief een "mechanisme" dat het waarom van de bewering in de hypothese verklaart
  • Een hypothese is de laatste, sluitende propositie van de theorie, en is tevens een voorlopig antwoord op de vraag in de probleemstelling.
    • Je toetst alleen de hypothese, de overige proposities niet.
  • Een voorspelling is een vertaling van de hypothese in concrete, meetbare termen

Beschrijvend Onderzoek

  • Bij frequentievragen in de probleemstelling
  • Geen theorie en hypothese(n)
  • Beschrijving en catalogisering van kenmerken van onderzoekseenheden (bv. respondenten) volgens een bepaald systeem

Verkennend Onderzoek

  • Bij samenhang- of verschilvragen in de probleemstelling
  • Geen theorie en scherp geformuleerde hypothese(n)
  • Geen van te voren vastgestelde werkwijze
  • Primaire doel: ontwikkelen en formuleren van een hypothese.
  • Onderzoeksmateriaal voor zichzelf laten spreken en "eruit halen wat erin zit".

Hoofdstuk 5 - Onderzoeksontwerp

2 Grondvormen

  • Experiment: Systematische variatie aanbrengen in een onafhankelijke variatie
  • Survey: overzicht geven, in kaart brengen

Experiment

  • Causaal verbandaantonen tussen twee kenmerken, oftewel: de invloed van een onafhankelijke variabele (oorzaakvariabele of experimentele variabele) op een afhankelijke variabele. (gevolgvariabele of effectvariabele)

Zuiver experimenteel ontwerp

  • In ieder geval randomiseren en minstens één controlegroep.

Pre-experimenteel ontwerp

  • Voormeting en nameting bij één groep, of
  • Nameting bij twee groepen, of
  • Nameting bij één groep

Quasi-experimenteel ontwerp

  • Bestaande groepen die niet kunnen worden veranderd (homogeniseren of randomiseren kan niet)
  • Bij voorkeur meervoudige tijdreeks

Interne Validiteit

  • Wordt beïnvloed door:
    • Pre-experimentele en zuiver experimentele ontwerpen zoals Solomon 4 groepenontwerp (voor- en nametingen, controlegroepen, aantallen metingen, randomisatie)
    • Tussentijdse externe voorvallen
    • Groei- en krimpeffecten bij onderzoekseenheden
    • Testeffecten
    • Instrumentatie van het experiment
    • Statistische regressie naar het gemiddelde
    • Samenstelling van de groepen
      • Randomiseren
      • Matchen (paren met dezelfde kenmerken verdeeld over groepen)
      • Precisie-, frequentieverdeling- of globale controle
      • Homogeniseren
    • Uitval/morbiditeit bij langere onderzoeken

Externe Validiteit

  • Uitkomst is extern valide wanneer de resultaten ook naar andere plaatsen/tijden/omstandigheden kunnen worden gegeneraliseerd.

Survey

  • Groot aantal onderzoekseenheden
  • Steekproef met één meting, soms echter ook longitudinaal
  • Dataverzameling: interviewen/observeren
  • Meestal lagere interne validiteit maar hogere externe validiteit (indien er een aselecte steekproef is getrokken) > iets makkelijker te generaliseren
  • Trendonderzoek: verschillende tijdstippen, verschillende mensen/groepen
  • Panelonderzoek: longitudinaal bij dezelfde mensen/groepen
  • Prospectief onderzoek: zogenaamde experimentele en controlegroep indelen (op basis van kenmerken), en dan later kijken of je voorspelling is uitgekomen.

Causaliteit

  • Drie voorwaarden om van een causaal verband te kunnen spreken:
    • Co-variatie of statistisch verband tussen de twee kenmerken
    • De onafhankelijke variabele (de oorzaak) moet in tijd voorafgaan aan de afhankelijke variabele (het gevolg)
    • De twee kenmerken mogen geen vals verband hebben (bijvoorbeeld via een derde variabele)
  • Beste na te gaan met een zuiver experimentele opzet
  • Minder goed na te gaan met quasi-experimenteel onderzoek
  • Survey: minst geschikt, maar achteraf kun je de wel de eenheden opdelen in homogene subgroepen die een aantal kenmerken gemeen hebben.

Hoofdstuk 6 – Populatie en steekproef

Begrippen

  • Eigenschapsbegrip: Kenmerk of variabele van een onderzoekseenheid
  • Eenheidsbegrip: Eenheidsvorm van het onderzoek
  • Onderzoekseenheden: personen of objecten

Populatie

Universum
#9660;
Populatie

Steekproef (via een steekproefkader, waar de eenheden geregistreerd staan)

Respons

Bruikbare respons

Kans- of aselecte steekproeven

  • Enkelvoudige aselecte steekproef: via computer, loterijmethode of een toevalsgetallen-tabel
  • Systematische steekproef met aselect begin: Populatie delen door de steekproef: dit...







    Reacties

    Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
    Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.



    Laatst bekeken...