LoginnaamWachtwoord
Bedrijfseconomische analyses : een inleiding bedrijfseconomie op HBO-/WO-niveau
A.M.M. Blommaert & J.M.J. Blommaert
Geplaatst op Woensdag 30 januari 2002


1

Accounting:
Ruimer dan boekhouden. Het betreft hier een verantwoordingsfunctie (ex-post), maar vooral het aanmaken van informatie voor planning en beheersing (control) van bedrijfsprocessen. Administreren en accounting zijn ruimer dan boekhouden. Administreren is ruimer dan accounting.


Financial accounting:
De financieel-economische informatieverzorging voor externe belanghebbenden.

Management accounting:
De financieel-economische informatieverzorging voor het management.

Administratieve organisatie:
Stemt de gegevensverwerking af op de besluitvorming in de organisatie.

Administreren:
Het systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van gegevens tot voordeel van het besturen en doen functioneren en beheersen van een huishouding en tot voordeel van de verantwoordingen die daarover moeten worden afgelegd.

Agency costs:
Kosten van coördinatie van de doelstellingen van de principaal en de handelingen van de agenten.

Agency-theorie:
De organisatie wordt gezien als een netwerk van principaal_agent-relaties. Er wordt verondersteld dat zij een belangenconflict hebben. Iedere partij wil haar eigen belang zoveel mogelijk behartigen. De agency-theorie kan worden gezien als een vorm van behavioral accounting.

Aspiratieniveau:
Minimaal wenselijk dan wel maximaal aanvaardbaar geachte niveaus van variabelen als rentabiliteit, omzet of kosten.

Balans:
Geeft de door een bedrijf opgebouwde kapitaalspositie weer. Debet staat het kapitaal of de activa, credit staat hoeveel van welk vermogen voor de financiering is aangetrokken. Op een balans staan tijdstipgrootheden en op een resultatenrekening staan tijdvakgrootheden.

Bedrijf:
Of bedrijfshuishouding, is een financieel-economisch zelfstandige productie organisatie.

Bedrijfseconomie:
Een afsplitsing van de micro-economie waarbij de economische verschijnselen die zich in en rondom bedrijven voordoen, worden bestudeerd. De bedrijfseconomie maakt deel uit van de micro-economie. In de micro-economie staan de individuele producenten, consumenten en goederen centraal.

Behavioral accounting:
De gedragswetenschappelijke aspecten van de bedrijfseconomie.

Behavioral concept of the firm:
De visie waarbij een organisatie wordt gezien als een geheel dat opgebouwd is uit participantengroeperingen die elk hun handelen richten op realisatie van individuele belangen. Het gedrag van het geheel kan anders zijn dan het gedrag van de som der delen.

Bonusplan:
Beoogt een convergentie van belangen te bewerkstelligen. Maak bijvoorbeeld het salaris voor een deel afhankelijk van de winst.

Economisch principe:
Dwingt een productie organisatie ertoe voor een bepaalde hoeveelheid output zo weinig mogelijk productiemiddelen in te zetten.

Efficiency:
Verhouding tussen de output en de input; betreft de vraag of met de ingezette middelen niet meer output had kunnen worden gerealiseerd.

Effectiviteit:
De mate waarin een organisatie in staat is haar doelstellingen te realiseren.

Holistic concept of the firm:
Het gedrag van de organisatie wordt als een geheel gezien. Het gedrag van de organisatie is hierin gelijk aan de som der delen.

Jaarrekening:
De combinatie van balans, resultatenrekening en de toelichting op beide stukken.

Management:
Onder te verdelen in operationeel (concrete zaken), tactisch (heden en nabije toekomst) en strategisch management (toekomstig beleid, lange termijn).

Marketing:
Het productieproces wordt als een afgeleide van de huidige en toekomstige wensen van de afnemers beschouwd. Een bedrijf is levensvatbaar wanneer het op winstgevende wijze en continu kan voldoen aan de wensen van de afnemers.

Deductief onderzoek:
De wetenschapper probeert uitgaande van bepaalde veronderstellingen tot een logisch onvermijdelijke conclusie te komen.

Empirisch onderzoek:
Men probeert een zekere regelmaat te ontdekken in de waargenomen verschijnselen, om zo inzicht te krijgen en tot een algemeen geldende uitspraak te komen.

Economische productie:
De productie waarbij de verkoopopbrengsten meer bedragen dan de productiekosten.

Resultatenrekening:
Hierin wordt informatie inzake de opbouw van de eigen vermogensaanwas gegeven. Ook wel de winst- en verliesrekening genoemd. Op een balans staan tijdstipgrootheden en op een resultatenrekening staan tijdvakgrootheden.

Welvaart:
De mate waarin iemand in staat is zijn behoeften te bevredigen bepaalt diens welvaart. Welvaart is de verhouding tussen behoeften en bevrediging van die behoeften. Welzijn is de toestand waarbij men in materieel en geestelijk opzicht voorspoedig, gelukkig is.

Winst:
een overschot van de opbrengsten boven kosten. Wanneer winst wordt gemaakt is de financieel-economische zelfstandigheid per definitie aanwezig.

Financieel en economisch zijn verschillende dingen. Economische aspecten zijn vaak financiële aspecten. Financieel zijn alle grootheden die in geld zijn uitgedrukt. Economische grootheden beschrijven een welvaartsaspect.
Een doelstelling is operationeel wanneer achteraf objectief kan worden vastgesteld of deze is gehaald.

11

Accountantsverklaring:
Hierin wordt vermeld of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen en het resultaat. Ook wordt aangegeven aan welke voorschriften niet voldaan is.
  1. goedkeurende verklaring
  2. verklaring met beperking
  3. verklaring van oordeelonthouding
  4. afkeurende verklaring
accural accounting:
De omrekening van uitgaven en ontvangsten tot kosten en opbrengsten van bepaalde perioden.

continuïteitsveronderstelling:
Bij de waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat moet worden uitgegaan van de veronderstelling dat de activiteiten waarvoor deze dienen worden voortgezet.

jaarrekening:
Bestaat uit een balans, een W&V-rekening en een toelichting op beide overzichten. De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van de jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon.
  1. substance over form
  2. voorzichtigheidsprincipe
  3. realisatieprincipe
  4. toerekeningsprincipe
  5. continuïteitsprincipe
  6. stelselmatigheidsprincipe
  7. materiaalprincipe
jaarverslag:
In het jaarverslag worden ook de niet-financiële gegevens naar de belanghebbenden gecommuniceerd. Ook moeten mededelingen worden gedaan over werkzaamheden over onderzoek en ontwikkeling.
  1. toekomstparagraaf
    1. Fusies, benoemingen.
  2. algemene deel
    1. Profiel van de onderneming.
  3. beleidsdeel
    1. De doelstelling of strategie van de onderneming en hoe zij deze denkt te realiseren.
  4. doelgroepinformatiedeel
    1. Voor de werknemer en aandeelhouder.
  5. overige gegevens
    1. statutaire regeling omtrent de bestemming van de winst
    2. opgave van de winstbestemming of van de verwerking van het verlies
    3. lijst van namen van degenen aan wie bijzonder statutair recht toekomt inzake de zeggenschap
    4. opgave van het aantal winstbewijzen en soortgelijke rechten met vermelding van de bevoegdheden die zij geven
    5. opgave met gebeurtenissen na de balansdatum met belangrijke financiële gevolgen
    6. accountantsverklaring
      1. goedkeurende verklaring
      2. verklaring met beperking
      3. verklaring van oordeelonthouding
      4. afkeurende verklaring
kasstelsel:
Het boekhoudkundig stelsel waarbij de winst wordt bepaald als zijnde het verschil tussen ontvangsten en uitgaven.

kasstroomoverzicht:
Het doel is inzicht te verschaffen in de financiering van de activiteiten. Het kan inzicht geven in de liquiditeit en solvabiliteit en het vermogen om geldstromen te genereren. Het kasstroomoverzicht dient te bestaan uit drie onderdelen;
  1. operationele activiteiten
    1. Transacties en gebeurtenissen die direct leiden tot opbrengsten en kosten in de W&V-rekening.
      1. Verkoop van goederen en levering van diensten
  2. investeringsactiviteiten
    1. Investeringen en desinvesteringen van immateriële, materiële en financiële vaste activa en tijdelijke beleggingen in vlottende activa tenzij deze beleggingen worden gerekend tot de geldmiddelen.
      1. Uitgaven voor de aankoop van grond
  3. financieringsactiviteiten
    1. Activiteiten ter financiering van de operationele en investeringsactiviteiten.
      1. Ontvangsten van de uitgifte van aandelen
matchingprincipe:
Het beginsel in de verslaglegging op basis waarvan kosten zoveel mogelijk worden geboekt in de periode waarin de opbrengsten worden verantwoord waarvoor deze kosten hebben gediend.

materialiteitsprincipe:
Een onderneming hoeft geen informatie te verstrekken die voor de oordeelsvorming en besluitvorming van de gebruikers niet van belang zijn.

modellen voor de jaarrekening:
overige gegevens:
  1. statutaire regeling omtrent de bestemming van de winst
  2. opgave van de winstbestemming of van de verwerking van het verlies
  3. lijst van namen van degenen aan wie bijzonder statutair recht toekomt inzake de zeggenschap
  4. opgave van het aantal winstbewijzen en soortgelijke rechten met vermelding van de bevoegdheden die zij geven
  5. opgave met gebeurtenissen na de balansdatum met belangrijke financiële gevolgen
  6. accountantsverklaring
pro-memorie-verplichting:
Dit zijn verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten waarvan zowel de prestatie van de ene partij als de tegenprestatie van de andere partij plaatsvinden na de balansdatum, bijvoorbeeld meerjarige huur- en pachtovereenkomsten en leasing. Het verschil tussen deze verplichting en schulden is het tijdstip waarop de betalingsverplichting ontstaat.

publicatieplicht:
De wettelijke verplichting van rechtspersonen tot het voor iedereen ter inzage leggen van de jaarstukken.

realisatieprincipe:
Winsten mogen worden genomen voor zover zij op de balansdatum zijn gerealiseerd. Het is niet toegestaan vooruit te lopen op toekomstige winsten.

stelselmatigheidsprincipe:
Een onderneming moet zoveel mogelijk van het ene op het andere jaar dezelfde grondslagen gebruiken. De indeling van de balans en de W&V-rekening moet zoveel mogelijk gelijk blijven.

toerekeningsprincipe:
Bij de waardering en bepaling van het resultaat is niet het moment van betaling of ontvangst bepalend, maar het moment dat de kosten- en opbrengstentoerekening moet plaatsvinden. Uitgaven en ontvangsten moeten worden toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

voorwaardelijke verplichting:
Een verplichting is voorwaardelijk indien de verplichting afhankelijk is van het zich al dan niet voordoen van een of meerdere toekomstige gebeurtenissen, bijvoorbeeld garantieverplichtingen.als er een reële kans bestaat dat de voorwaarde die tot nakoming verplicht, wordt vervuld en bovendien het bedrag redelijk bepaald is, dan zal de onderneming een voorziening moeten vormen.

voorzichtigheidsprincipe:
Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden voor het einde van het boekjaar moeten in acht worden genomen als zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn.

wettelijke reserve:
De op basis van een wettelijk voorschrift te vormen niet-uitkeerbare reserve.

De toelichting is een belangrijk onderdeel van de jaarrekening als men kennis wil nemen van de winst die een onderneming heeft behaald.

12

Wanneer een onderneming deelneemt in een andere onderneming, verschaft de deelnemende onderneming kapitaal. Wanneer men een vijfde of meer van het geplaatste kapitaal verschaft, is er het vermoeden van deelneming. de groepen die door deelneming ontstaan zijn juridisch zelfstandig, maar economisch een geheel. Het hoofd van de groep die zo ontstaat, moet een geconsolideerde jaarrekening opstellen. Alle deelnemende ondernemingen vormen 1 grote onderneming.
De deelnemingen worden opgenomen tegen de verkrijgingsprijs of tegen de actuele waarde. Ook kan het waarderen plaatsvinden volgens de vermogingsmutatiemethode. De waardering wordt afgeleid uit de waarde van het vermogen van de onderneming waarin wordt deelgenomen. Deze methode kent verschillende varianten. De nettovermogenswaarde bepaalt het eigen vermogen van de deelneming op basis van de grondslagen van de deelnemende onderneming. Ook kan uitgegaan worden van de jaarrekening van de deelneming. Dit is waardering volgens het zichtbaar eigen vermogen. De equity-methode is een tussenvorm van de nettovermogenswaarde en de verkrijgingsprijs.
Wanneer er geen invloed van betekenis is, moet de deelneming als zelfstandig actief worden gewaardeerd. Is er wel een belang van ten minste 20%, dan wordt de vermogensmutatiemethode toegepast. Alleen bij onvoldoende gegevens mag hiervan worden afgeweken. De deelnemende onderneming moet bij toepassing van de vermogensmutatiemethode een wettelijke reserve aanhouden als zij niet in staat is dit bedrag uitgekeerd te krijgen van de deelneming.

De wijze waarop goodwill wordt verwerkt is afhankelijk van de waardering van de deelneming. Bij de nettovermogenswaarde wordt deze apart vermeld. Positieve goodwill ontstaat wanneer de verkrijgingsprijs hoger is dan de nettovermogenswaarde. Dit kan op drie manieren verwerkt worden in de jaarrekening.
  1. Ineens ten laste van de W&V-rekening;
  2. Ineens ten laste van het EV;
  3. Als afzonderlijke post activeren, gevolgd door periodieke afschrijvingen ten laste van de W&V-rekening.
Negatieve goodwill wordt toegeschreven aan lage winstverwachtingen en wordt in het EV opgenomen als onderdeel van de herwaarderingsreserve.

Het hoofd van de groep moet de geconsolideerde jaarrekening opnemen. Er is sprake van een dochtermaatschappij wanneer:
  1. meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering uitgeoefend wordt of
  2. meer dan de helft van de bestuurders of van de commissarissen kan worden benoemd of ontslagen.
Ook door stemovereenkomsten met andere aandeelhouders kan men een dochtermaatschappij hebben.
Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden. Twee elementen zijn van belang. Er moet sprake zijn van een economische eenheid en van organisatorische verbondenheid. Bij een economische eenheid laten de onderdelen van een groep zich leiden door het totale groepsbelang. Organisatorische verbondenheid houdt in dat de maatschappijen onder centrale leiding staan. Een vennootschap onder firma is in den regel geen groepsmaatschappij, omdat de overheersende zeggenschap ontbreekt. Dit geldt ook voor een joint venture. Als er geen sprake is van een groep, bestaat er geen consolidatieverplichting. Ook het hoofd van een groepsdeel is consolidatieplichtig.
Buiten de consolidatie mogen worden gehouden:
  1. Groepsmaatschappijen waarvan de activiteiten sterk afwijken van die van de rest van de groep.
  2. Groepsmaatschappijen waarvan het gezamenlijk belang op het geheel van te verwaarlozen betekenis is.
  3. Groepsmaatschappijen waarvan de gegevens slecht verkrijgbaar zijn, door een instabiel politiek klimaat bijvoorbeeld.
  4. Groepsmaatschappijen waarvan het belang wordt gehouden slechts met de bedoeling het te vervreemden.
  5. Groepsmaatschappijen die worden beheerst uit kracht van een regeling tot samenwerking met een andere maatschappij.
Individuele jaarrekeningen moeten dus geconsolideerd worden. De boekjaren moeten bijgevolg gelijk lopen. De waardering en winstbepaling moeten volgens hetzelfde stelsel plaatsvinden. Bij de integrale methode worden de activa, schulden, kosten en opbrengsten van de groepsmaatschappij volledig in de consolidatie betrokken. Het minderheidsbelang wordt tot uitdrukking gebracht door een evenredig deel van het eigen vermogen op te nemen als “belang van derden”. Bij de proportionele methode worden de activa, schulden, kosten en opbrengsten van de deelneming voor een evenredig deel niet in de consolidatie betrokken. Dit is alleen toelaatbaar bij joint ventures.

13

winst is opbrengsten min kosten
W = O – K
Winst is verteerbaar inkomen. Opbrengsten zijn gerealiseerd op het moment van levering en facturering van de goederen of diensten. In nominalistische winstbepalingsstelsels wordt elke toename van het eigen vermogen als winst beschouwd.
W = EV1 – EV2
Een deel van de toename voor het eigen vermogen moet worden gebruikt voor het afdekken van koopkrachtverlies. Er vindt een correctie plaats op de toename van het eigen vermogen.
W = EV1 – EV2 – C
De koopkrachtdaling wordt vastgesteld met behulp van algemene prijsindexcijfers. Dit zijn substantialistische winstbepalingsstelsels.

10

Door gebruik te maken van relatieve cijfers kunnen verschillende bedrijven of tijden of doelstellingen met elkaar vergeleken worden. Winst plus de afschrijvingen wordt de cash flow genoemd. De boekhoudkundige winst wordt beïnvloed door administratieve veronderstellingen en afspraken betreffende de afschrijvingen.
De liquiditeit is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de onderneming over voldoende middelen beschikt om aan de kortlopende verplichtingen te voldoen. Er zijn drie motieven waarom een onderneming liquide middelen (kas en banktegoeden) zal aanhouden:
  1. het transactiemotief
    1. In perioden van positieve netto-ontvangsten wordt geld gereserveerd om in andere perioden een eventueel tekort op te vangen.
  2. het voorzorgsmotief
    1. Een voorzorgskas geeft een opvangmogelijkheid als de werkelijke ontvangsten en uitgaven afwijken van de begrote kasstromen.
  3. het speculatiemotief
    1. Een bedrijf dat inflatie verwacht zal zo min mogelijk liquide middelen aanhouden en vice versa.
Inzicht in de liquiditeitspositie is te verkrijgen uit de volgende balansposten. De liquide middelen en de activa die binnenkort liquide middelen worden (vlottende activa; debiteuren, voorraden) versus de schulden die op korte termijn betaald dienen te worden.

Nettowerkkapitaal = vlottende activa – kortlopende schulden

De current ratio is de bijbehorende relatieve maatstaf. Deze maatstaf maakt het eenvoudiger om bedrijven of verschillende jaren met elkaar te vergelijken.

Current ratio= (vlottende activa / kortlopende schulden)

Soms worden de voorraden weggelaten uit de post vlottende activa. Het is niet zeker dat deze voorraden op korte termijn zullen worden verkocht. Hieruit is de quick ratio te berekenen.

Omdat de gegevens in principe een tijdsopname zijn, kan het toeval veel invloed hebben op deze cijfers. De financiële positie kan door manipulaties beter worden voorgesteld dan zij daadwerkelijk is; Window dressing.
De ruimte in bankkredieten wordt niet meegenomen bij liquiditeitsberekeningen. Voor meer inzicht in de positie kunnen de liquiditeitsstromen worden bestudeerd. Hiertoe maak je een kasstroom overzicht op. Debet staat de herkomst van de middelen, en credit staat de besteding van de middelen.
De solvabiliteit is afhankelijk van het antwoord op de vraag of bij liquidatie van het bedrijf de opbrengst van de verkoopbare activa voldoende is voor de aflossing van de schulden. Dit wijst uit dat het goed is om zo min mogelijk vreemd vermogen te hebben.

Hoe lager deze ratio, des te beter de solvabiliteit, des te geringer het risico van de financiers. Ook kan het totaal vermogen gedeeld worden door het vreemd vermogen, of het eigen vermogen kan gedeeld worden door het vreemd vermogen. Activa brengen minder op wanneer ze verkocht moeten worden.
Een andere ratio is het rente dekkingspercentage, ofwel de interest coverage ratio. Deze ratio geeft aan hoe vaak uit het bedrijfsresultaat (som van de winst voor de belastingen en de rentelasten) de verschuldigde rente aan de verschaffers van vreemd vermogen betaald kan worden.

Hoe groter deze ratio, des te kleiner het risico dat de onderneming haar renteverplichtingen niet na kan komen. In hoeverre is de onderneming bestand tegen een slechte gang van zaken.
De rentabiliteit is de verhouding tussen opbrengst en investering. Twee belangrijke ratio’s betreffende rentabiliteit zijn de rentabiliteit van het eigen vermogen en de rentabiliteit van het totaal vermogen.

Het totaal van winst voor belasting en rentelasten (resultaat exclusief financiering) wordt het bedrijfsresultaat genoemd. Dit is het totale bedrag dat beschikbaar is voor uitkering aan vermogensverschaffers.
De gemiddelde kostenvoet van het vreemd vermogen wordt als volgt berekend:

Vreemd vermogen maakt opbrengsten mogelijk. Zolang de gemiddelde opbrengst van elke euro geinvesteerd vermogen (Rtv) meer bedraagt dan de gemiddelde kostenvoet van het vreemd vermogen (Kvv), is de beschikbaarheid van extra vreemd vermogen uit rentabiliteitsoogpunt aantrekkelijk. Dit verband is in de hefboomformule vastgelegd.

Activiteitsratio’s laten de intensiteit van het gebruik van de productiemiddelen zien. Veel gebruikte...


[ Log in of registreer gratis om dit hele document te bekijken ]





Reacties
[post reply]

Nog geen opmerkingen of toevoegingen op dit document geplaatst.
Wil jij een bericht plaatsen dan kan dat door op "post message" te klikken.



Laatst bekeken...
10:44  Persuasion : theory and research ; Curr...
10:44  Het Leven is Vurrukkulluk van Campert, ...
10:44  Splinters van Sterck, Marita de
10:44  Communicatiekaart van Nederland : overz...
10:44  Het uur nul van Bracke, Dirk
10:44  If beale street could talk van Baldwin,...
10:44  Grondslagen Administratieve Organisatie...
10:44  Isabelle van Loo, Tessa de
10:44  Le coeur en poche van Aventin, Christine
10:44  Bouwkunde : voor het hoger technisch on...
10:43  Ken- en stuurgetallen voor personeelsma...
10:43  Een praktijkgerichte benadering van org...
10:43  Het gouden ei van Krabbe, Tim
10:43  Vrouw binnen de Islam
10:43  Erik of het klein insectenboek van Boma...


Van A.M.M. Blommaert & J.M.J. Blommaert
Bedrijfseconomische analyses : een inleiding...